1996/22 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

het Landelijk Bureau Racismebestrijding

tegen

R. Hoogland en de hoofdredactie van De Telegraaf

In een brief van 26 januari 1996 heeft drs. L.W. Balai, juridisch medewerker, namens het Landelijk Bureau Racismebestrijding (klager) te Utrecht een klacht ingediend tegen de journalist R. Hoogland en de hoofdredacteur van De Telegraaf (betrokkenen).
Hierop is door R. Hoogland gereageerd in een brief van 8 maart 1996.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 14 juni 1996.
Namens klager verscheen de heer L.W. Balai. Betrokkenen zijn niet verschenen.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

De journalist Hoogland schrijft een vaste column in De Telegraaf, genaamd 'Kringen'. In de column van 15 januari 1996, met als kop Moskee, uit de journalist zijn verbazing over de wijze waarop in regionale en lokale kranten wordt geschreven over de plannen van de verschillende gemeentebesturen met betrekking tot de bouw van moskeeën. Er komen onder meer de volgende passages in voor:
Vooral de autochtone bewoners van de buurt waar het islamitische bidhuis volgens B&W moet komen tonen vrijwel zonder uitzondering hun verontwaardiging. En ook de afloop is meestal dezelfde: de bestuurderen drukken hun zin door. De angst om voor racist versleten te worden zit er bij hen zo diep in, dat zij zich liever nog schuldig maken aan een andere vorm van discriminatie, namelijk die van de oorspronkelijke bevolkingsgroep. Vaak ook nog eens zwaar gesubsidieerd door de overheid wordt de moskee gebouwd. (....)
Maar in werkelijkheid symboliseert de moskee verschijnselen die in een beschaafd land niet thuishoren. Niet alleen staat het gebouw voor een godsdienst die volgens degenen die hem iets fundamentalistischer belijden het voeren van de heilige oorlog ter verbreiding van het geloof gebiedt, ook verwijst het naar intolerantie ten opzichte van andersdenkenden en onderdrukking en mishandeling van de vrouw.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager is van mening dat de hierboven aangehaalde passages dermate ongenuanceerd en onjuist zijn dat hierdoor vooroordelen tegen etnische minderheden in het algemeen en tegen de islamitische geloofsgemeenschap in het bijzonder worden bevestigd. Moskeeën worden niet gesubsidieerd en bestuurders geven niet massaal acte de présence, volgens klager. Bovendien zouden de passages aanzetten tot rassendiscriminatie en vreemdelingenhaat. Klager meent dat er grenzen zijn aan de vrijheid van meningsuiting van een columnist en dat die in dit geval zijn overschreden.

De betrokken journalist stelt dat hij het in een land waar de vrijheid van meningsuiting een groot goed is, overbodig acht op de beschuldiging van klager te reageren.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Bij de beoordeling dient rekening te worden gehouden met het feit dat het hier een column betreft. Het karakter van een column brengt met zich mee dat de schrijver daarvan de ruimte heeft om van zijn opvattingen op stellige wijze blijk te geven, maar geeft geen vrijbrief om in een dergelijk stuk op te roepen tot rassendiscriminatie en vreemdelingenhaat. Naar het oordeel van de Raad zijn in dit geval echter geen grenzen overschreden. Weliswaar kan uit het stuk een negatieve houding worden afgeleid met betrekking tot de in moskeeën beleden godsdienst en de opvattingen van bestuurders over een multiculturele samenleving, maar die is niet op zodanige wijze onder woorden gebracht dat daarmee wordt opgeroepen tot rassendiscriminatie en vreemdelingenhaat. Dat daarmee reeds bestaande vooroordelen worden bevestigd, is naar het oordeel van de Raad onvoldoende om de klacht gegrond te verklaren.

BESLISSING:

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in De Telegraaf te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 5 juli 1996 door mr. P.J. Boukema, voorzitter, W.H.K. Ammerlaan, mr. G. Dullens, H. van Gessel en drs. K.J. van der Zande, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.H.J. Konings, secretaris.

RvdJ 1996, 22.