1996/21 onbevoegd

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

S.K.A. Brown

tegen

B. van Hout

Met een brief van 21 april 1995 met 8 bijlagen heeft de heer S.K.A. Brown te Eindhoven (klager) een klacht ingediend tegen B. van Hout te Zandvoort (betrokkene). De klacht werd aangevuld met brieven van respectievelijk 18 mei 1995 (met 9 bijlagen), 26 juni 1995 (met 4 bijlagen), 18 september 1995 (met 1 bijlage) en 1 juni 1996 (met 2 bijlagen).
Betrokkene heeft op de klacht gereageerd in een brief van 27 juli 1995.
Op verzoek van klager is de heer M. Haenen, journalist bij NRC Handelsblad, uitgenodigd om als getuige ter zitting aanwezig te zijn. De heer Haenen kon aan dit verzoek niet voldoen en heeft bij brief van 5 juni 1996 een schriftelijke verklaring gegeven.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 14 juni 1996.
Betrokkenen zijn beiden in persoon verschenen.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Klager heeft met betrokkene enige tijd gewerkt aan zijn autobiografie, waarbij betrokkene als 'ghostwriter' zou fungeren. In dat kader zijn door klager aan betrokkene documenten ter beschikking gesteld. De samenwerking werd in februari 1995 wegens conflicten verbroken. In NRC Handelsblad verscheen op 22 maart 1995 een artikel van de journalist Marcel Haenen, waarbij een verklaring werd afgedrukt, afkomstig van een politie-inspecteur. Daarin werd verklaard dat klager geen strafbare handeling pleegt bij het verschaffen van een tape aan de politie. De heer Haenen heeft aan de Raad laten weten dat hij zijn bron anoniem wil houden.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Volgens klager is de bij het artikel van de journalist Haenen in NRC Handelsblad gepubliceerde verklaring zijn eigendom en had hij het originele document aan betrokkene in bewaring gegeven. Het betreft hier volgens klager een vertrouwelijk stuk, dat door betrokkene in strijd met daarover gemaakte afspraken ter beschikking is gesteld aan een journalist. Uit de transcriptie van een telefoongesprek dat betrokkene met de broer van klager had, die als bijlage is overgelegd, zou blijken dat er niets gepubliceerd mocht worden zonder toestemming van klager.
Daarnaast verwijt klager betrokkene dat hij op oneigenlijke wijze in het bezit gekomen is van een foto van de zus van klager en die foto niet aan de eigenaar heeft teruggegeven. Bovendien zou betrokkene zich schuldig gemaakt hebben aan chantage. Ten bewijze van dit laatste verwijst klager naar een brief van de advocaat van betrokkene aan de advocaat van klager.

Betrokkene wil niet ingaan op de vraag of hij het onderhavige document aan de journalist Haenen heeft gegeven. Hij stelt dat het betreffende document door klager aan hem ter beschikking is gesteld voor publicatie. Betrokkene meent dat daarmee niet alleen de autobiografie werd bedoeld. Het maakt volgens hem niets uit dat het nu ook in NRC Handelsblad is gepubliceerd. Betrokkene erkent dat het telefoongesprek met de broer van klager heeft plaatsgevonden. Hij wist ook dat dit werd opgenomen. Betrokkene stelt dat dit gesprek door klager gearrangeerd was, met de bedoeling van zijn familie medewerking te verkrijgen aan de totstandkoming van zijn autobiografie.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht heeft betrekking op activiteiten van betrokkene, verricht in het kader van het (mede)auteurschap van de te schrijven autobiografie van klager.
De Raad staat allereerst voor de beoordeling of hier sprake is van een journalistieke gedraging, die ter beoordeling staat van de Raad. Artikel 4, eerste lid, van de Statuten van de Raad verstaat onder journalistieke gedraging een handelen of nalaten van een journalist in de uitoefening van zijn beroep. Onder journalist moet blijkens het tweede lid van artikel 4 worden verstaan degene die, hetzij in dienstverband hetzij als zelfstandige, er zijn hoofdberoep van maakt mede te werken aan de redactionele leiding of redactionele samenstelling van een aantal limitatief opgesomde publiciteitsmedia, zoals dagbladen en tijdschriften. In die opsomming komen boeken niet voor. Naar het oordeel van de Raad is het niet in overeenstemming met de Statuten, dat activiteiten die in het kader van het (mede)schrijven van een boek als hier in het geding worden verricht, aan het oordeel van de Raad kunnen worden onderworpen. De Raad acht zich derhalve niet bevoegd.

BESLISSING:

De Raad verklaart zich niet bevoegd.

Aldus vastgesteld door de Raad op 5 juli 1996 door mr. P.J. Boukema, voorzitter, W.H.K. Ammerlaan, mr. G. Dullens, H. van Gessel en drs. K.J. van der Zande, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.H.J. Konings, secretaris.

RvdJ 1996, 21.