1996/20 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

J.G. Spee

tegen

A. Ramdas/hoofdredacteur NRC Handelsblad

Met een brief van 18 oktober 1995 heeft mevrouw mr M.J.C.M. Peters-Jansen, juridisch adviseur, namens de heer J.G. Spee (klager) te Brummen een klacht ingediend tegen de journalist A. Ramdas en de hoofdredacteur van NRC Handelsblad (betrokkenen).
Hierop is door de heer H. Smeets, adjunct-hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 21 november 1995.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 14 juni 1996.
De heer Spee verscheen in persoon en werd bijgestaan door zijn juridisch adviseur, mevrouw Peters-Jansen. In een brief van 10 juni 1996 had adjunct-hoofdredacteur mevrouw L. Starink laten weten, dat de heer Smeets niet ter zitting zou verschijnen wegens verblijf in het buitenland. Tevens gaf mevrouw Starink een aanvullende schriftelijke reactie namens betrokkenen.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Klager heeft eind jaren zeventig in het kader van ontwikkelingswerk een ecologisch landbouwproject in Ghana opgezet. Met zijn familie leefde en werkte hij geruime tijd in Ghana.
In NRC Handelsblad van 4 maart 1995 verscheen onder de titel 'Kringloop' in het zaterdags bijvoegsel Z een column van de hand van A. Ramdas, waarin verslag werd gedaan van het Ghanese project van klager. Dit geschiedde aan de hand van beschrijvingen van een stagiair van de Tropische Landbouwschool te Deventer, die destijds een jaar bij klager verbleef.
De familie leefde er volgens de beschrijving onder primitieve omstandigheden, er was geen elektriciteit, geen stromend water en geen tractor.
Vlees kon er niet worden bewaard, maar dat vond Spee niet nodig. Spee was vegetariër. En gelovig, er werd gebeden bij de maaltijd. Ze aten aan een lange tafel in de open lucht, bij het licht van de ondergaande zon. Spee, zijn vrouw Ada, een geestelijk gehandicapt zoontje van Spee en een onduidelijke jonge vrouw die zich met het kind bezig hield en eerbiedig naar Spee keek als die sprak. Ze was een discipel. Spee was de guru. Daar leek hij ook op: een man van vijfenvijftig, met lang grijs haar en een lange grijze baard.
In de column wordt klager omschreven als een profeet en de mannen van het dorp als trouwe volgelingen, dienaars. Spee zou tegen kinine, vitaminepillen en zelfs antibiotica zijn en zijn familie zou onder de zweren zitten. Het eten, zelfgemaakte yoghurt en muesli uit Nederland, was voor de stagiair een beproeving. De familieleden van klager worden als volgt beschreven: Ada droeg ook zelfgemaakte kleren, grote slobberjurken met bloemmotief. Ze sprak zelden en als ze het deed werd ze afgesnauwd door Spee. De onduidelijke jonge vrouw hield zich bezig met het kind, dat zich met het voedsel besmeurde en diepe klanken uitstootte. Elders in de column wordt gesproken over de twee vrouwen van Spee en zijn oergeluiden producerende kind. Er worden vraagtekens gezet bij de wijze waarop klager zijn peperdure homeopathische medicijnen en kratten vol muesli zou bekostigen. Spee bleek brieven te schrijven naar Nederland, met tekeningen en romantische verhalen over het werk; hoe zwarte kindertjes lachend rondrenden, met witte snorretjes van de geitemelk. Die brieven werden in de Nederlandse kerken voorgelezen, waarna flinke donaties volgden.
Klager heeft via zijn juridisch adviseur op 7 juni 1995 zijn bezwaren tegen de column aan betrokkenen kenbaar gemaakt, nadat al eerder een familielid van klager een verontruste brief aan de columnist had gezonden. Een verzoek van klager om in een nieuw artikel aandacht aan de projecten van klager te besteden, werd van de hand gewezen.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager noemt de column sarcastisch. Er staan volgens hem onjuistheden in. Zo is klager geen vegetariër en is hij ook geen tegenstander van antibiotica en vitaminepillen. Ook zijn geiten werden geregeld ingeënt. Zijn familieleden hadden geen zweren en ziektes. Donaties kwamen terecht bij het Werelddiaconaat, dat het project financierde. Klager ontving een salaris, waaruit hij al zijn kosten moest voldoen. De gezinsleden van klager, onder wie de verzorgster van zijn zoon, worden op een negatieve wijze omschreven, hetgeen hij kwetsend en beledigend vindt. De situatie die beschreven wordt, is van 18 jaar geleden. De echtgenote van klager is zes jaar geleden overleden. Zij kan zij zich niet meer verweren. Dat geldt ook voor zijn zoon, die autistisch is. De journalist heeft op geen enkele wijze getracht informatie uit andere bronnen te verkrijgen. Dat het project van klager een succes is gebleken wordt nergens vermeld, hetgeen klager niet correct vindt. Klager heeft pas in een laat stadium op de column kunnen reageren, omdat hij in het buitenland verbleef. Toen had een ingezonden brief geen zin meer.

De adjunct-hoofdredacteur is van mening, dat de columnist vrij is in zijn onderwerpskeuze en stilistische compositie. De methode om een geval als 'pars-pro-toto' te presenteren is volgens hem een alom aanvaard genre. Het thema van de ontwikkelingshulp is een controversieel onderwerp en zou een zwart-wit tekening rechtvaardigen. Uit de column zou blijken dat het hier een geschiedenis uit de jaren zeventig betrof en dat de columnist zich baseerde op het relaas van een gedesillusioneerd medewerker.
De bezwaren van klager zouden met name zijn gericht tegen de weigering van de columnist om zijn project als een succes te bestempelen. Welke feitelijke onjuistheden in de column vermeld zijn heeft klager aan betrokkenen niet duidelijk gemaakt. Aan klager is aangeboden om de column door middel van een ingezonden brief te weerleggen. Deze mogelijkheid heeft klager niet benut.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad is het met betrokkenen eens, dat aan een columnist een grote mate van vrijheid toekomt om zijn mening in scherpe bewoordingen te uiten. In de column worden de ervaringen van een stagiair met het project van klager op eigen wijze door de columnist verwoord. Dat het stuk badinerend van toon is, is op zichzelf nog niet onzorgvuldig jegens klager. Het noemen van de naam van klager en de beschrijving van de persoonlijke omstandigheden van zijn gezinsleden acht de Raad echter nodeloos grievend, temeer nu deze informatie geen enkele zelfstandige bijdrage levert aan de doelstelling die de columnist met zijn stuk voor ogen had: door middel van een zwart-wit tekening een beeld van ontwikkelingshulp geven. Deze beschrijvingen zijn door middel van een ingezonden brief ook niet recht te zetten. Naar het oordeel van de Raad zijn in dit opzicht de grenzen overschreden van hetgeen gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid maatschappelijk aanvaardbaar moet worden geacht.

BESLISSING:

De Raad acht de klacht gegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in NRC Handelsblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 5 juli 1996 door mr. P.J. Boukema, voorzitter, W.H.K. Ammerlaan, mr. G. Dullens, H. van Gessel en drs. K.J. van der Zande, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.H.J. Konings, secretaris.

RvdJ 1996, 20.