1996/2 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

W.F.H. van der Paard
tegen
Hoofdredacteur van het Noordhollands Dagblad

In een brief van 7 juli 1995 met 2 bijlagen, gevolgd door een brief van 14 juli 1995 met 1 bijlage heeft de heer W.F.H. van der Paard te Den Helder (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het Noordhollands Dagblad (betrokkene).
Hierop is door de hoofdredacteur, de heer D.P.J. van Reeuwijk, gereageerd in een brief van 10 augustus 1995, met 1 bijlage.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 2 februari 1996. Beide partijen waren daarbij aanwezig, evenals de heer R. den Boer, journalist bij de Helderse Courant.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Klager bezocht op zaterdagmiddag 24 juni 1995 het etablissement 'De Pion' in Den Helder, waar hij behalve enkele partijgenoten van de Partij van de Arbeid ook de journalist R. den Boer, werkzaam bij de Helderse Courant, trof. Men raakte in gesprek over de opstelling van een D'66 raadslid, dat had aangekondigd uit de gemeenteraad van Den Helder te zullen stappen. Klager, die loco-gemeentesecretaris is in Den Helder, maakte daarbij de opmerking: "Een man een man, een woord een woord". Dit citaat werd opgenomen in een bericht over de affaire met het D'66 raadslid in de Helderse Courant van dinsdag 27 juni 1995, waarvan de relevante passage als volgt luidt:
Belangrijke schakel tussen ambtelijk apparaat en college is loco-secretaris W. van der Paard, oud-afdelingsvoorzitter van de PVDA en statenlid. Hij vindt dat er voor het raadslid geen weg terug meer is. "Een man een man, een woord een woord."
Op een brief aan betrokkene waarin hij zich over de gang van zaken beklaagde, ontving hij een reactie, gedateerd 13 juli 1995, met onder meer de volgende tekst:
De journalist heeft het serieuzer genomen dan het volgens u was bedoeld en dat is uiteraard betreurenswaardig. Beter was het geweest als de journalist zijn voornemen kenbaar had gemaakt. Mede namens de heer Den Boer kan ik u mededelen dat het spijtig is dat het zo is gelopen.
Tevens werd klager gevraagd om alsnog een en ander recht te zetten middels een ingezonden brief.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager meent dat betrokkene niet zonder zijn toestemming had mogen publiceren wat hij op een, volgens hem voor eenieder duidelijk niet serieuze toon, in een caf├ęgesprek heeft gezegd.
Nog los van hetgeen er door hem is gezegd, meent hij dat het in de krant zetten van wat hij 'borrelpraat' noemt, niet behoorlijk is. Volgens klager had de journalist ten overstaan van zijn gehoor gezegd, dat hij er in zijn vrije tijd was. Klager trok daaruit de conclusie dat hij vrijelijk kon spreken. Klager heeft zich op zijn werk moeten verantwoorden voor zijn uitspraak. De brief die hij naar aanleiding van zijn bezwaren van betrokkene ontving, acht hij geen afdoende reactie op zijn klacht, nu hij daar geen excuses in leest.

Volgens betrokkene is het etablissement van oudsher een lokatie waar politici, ambtenaren en journalisten uit Den Helder elkaar ontmoeten en waar door journalisten regelmatig nieuws wordt vergaard. De heer Den Boer maakt evenals klager al enige jaren deel uit van deze groep. Klager heeft de in de krant geciteerde uitspraak op luide toon in een op dat moment goed bezochte publieke gelegenheid gedaan, nadat hij de heer Den Boer expliciet aansprak. Die uitspraak is door de journalist opgevat als een nuchtere conclusie van een ervaren bestuursambtenaar, tevens loco-gemeentesecretaris en niet als grap. De heer Den Boer heeft zijn opmerking, dat hij er in zijn vrije tijd was, niet tegen klager gemaakt. Hij was op dat moment in gesprek met een zeeman/zanger die hem over zijn ervaringen als weduwnaar vertelde. Toen hij aan deze man werd voorgesteld als 'verslaggever van de Helderse Courant', heeft hij ter geruststelling de aangehaalde opmerking gemaakt, omdat hij niet de intentie had om de verhalen van de zeeman journalistiek te gaan gebruiken. Kennelijk heeft klager dit opgevangen. Betrokkene meent dat hij met zijn brief van 13 juli jl. afdoende heeft gereageerd op de bezwaren van klager.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Het etablissement waar journalist en klager elkaar ontmoetten is, zo is door betrokkene gesteld en door klager niet weersproken, een plaats waar politici, ambtenaren en journalisten elkaar treffen en nieuws vergaren. Of bij bezoekers een stilzwijgende afspraak geldt, dat personen niet met naam en toenaam geciteerd worden heeft de raad niet kunnen vaststellen.
De journalist heeft tegenover een andere bezoeker maar niet expliciet tegenover klager de indruk gewekt niet in functie te zijn. Klager heeft zijn uitlatingen voorts luid en ten overstaan van meerdere personen gedaan en heeft daarmee het risico genomen dat aan zijn woorden verdere ruchtbaarheid zou worden gegeven.
In een brief aan klager heeft betrokkene aangegeven het gebeurde te betreuren en het spijtig te vinden dat het zo is gelopen. Klager wordt daarin uitgenodigd door middel van een ingezonden brief de zaak recht te zetten. Naar het oordeel van de Raad had het op de wege van betrokkene gelegen om dit te doen. Klager kan immers niet de spijtbetuigingen van de krant in zijn ingezonden brief verwoorden.
Alle gedragingen in hun totaliteit bezien is de Raad van oordeel dat geen grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING:

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in de Helderse Courant te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 2 februari 1996 door mr P.J. Boukema, voorzitter, mr G. Dullens, mr A.J. Heerma van Voss, mw. J.A. Koerts en drs. K.J. van der Zande, leden, in tegenwoordigheid van mr I.H.J. Konings, secretaris.

RvdJ 1996, 2.