1996/19 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

de hoofdredacteur van het Nieuw Israëlietisch Weekblad

Met een brief van 2 oktober 1995 heeft de heer X (klager) te (…) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het Nieuw Israëlietisch Weekblad (betrokkene). Hierop is door mevrouw T. Benima, hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 13 maart 1996.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 24 mei 1996. Klager, in persoon aanwezig, overhandigde een pleitnota met 3 bijlagen. Namens betrokkene verschenen mevrouw X, journalist, en prof. dr. C.L. Davidson, voorzitter van het bestuur van de Stichting Nieuw Israëlietisch Weekblad. Met een brief van 6 juni 1996 heeft betrokkene gereageerd op de ter zitting door klager overgelegde stukken.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Klager is hoofdredacteur van De Nieuwe Joodse Gazet. Op 9 september 1994 werd er in het Nieuw Israëlietisch Weekblad (NIW) onder de kop “Groningse Gazet” een artikel gepubliceerd over de uitgave van het eerste nummer van De Nieuwe Joodse Gazet en de reacties daarop in de joodse gemeenschap te Groningen. Er werd onder meer melding gemaakt van een conflict dat tussen klager en het joods café Modi’ien in Groningen was ontstaan, vanwege de ongewenste publikatie van het tijdstip en de plaats van samenkomst van het café door klager. Op 18 november 1994 meldde het NIW, onder de kop “Einde Joodse Gazet” dat de uitgever, Intermed, het blad niet meer wilde uitgeven, met daarin verwerkt de kritiek van de directeur van Intermed, G. Harteveld, op klager: “Ik kreeg de indruk dat het teveel om X zelf draait en dat hij niet voldoende van het jodendom op de hoogte is” en “X is chaotisch en ondoordacht bezig”. In het NIW van 2 december 1994 werd melding gemaakt van de verschijning van het tweede nummer van de Joodse Gazet. Tevens werd vermeld dat het blad in eigen beheer wordt uitgebracht door (…) en voor een gulden te koop is.

In het NIW verscheen op 22 september 1995 het volgende bericht onder de kop “Volhouder”:
Het eerste nummer van De Nieuwe Joodse Gazet, ‘onafhankelijk orgaan voor joodse aangelegenheden’, verscheen 1 september 1994. Huis aan huis liet hoofdredacteur X zijn geesteskind in Groningen verspreiden. Gratis. De joodse gemeenschap in Groningen was niet enthousiast. Het joodse café Modie’ien was zelfs kwaad. Het wilde niet dat namen van bestuursleden en de plaats van samenkomst in de Gazet werden afgedrukt. X liet die namen achterwege, maar drukte toch tijd en plaats van samenkomst af, waarop het bestuur van Modie'ien die wijzigde.
Twee maanden later haakte uitgever Intermed af. Directeur G. Harteveld kreeg de indruk dat “het te veel om X zelf draait en dat hij niet voldoende van het jodendom op de hoogte is.”
Een tweede nummer van de Gazet kwam er toch, eind november door X in eigen beheer uitgegeven. En X houdt vol.””
Het bericht was opgenomen in een jaaroverzicht ter gelegenheid van het joods nieuwjaar, waarin de kwesties, waarover het NIW in het voorgaande jaar had bericht, werden beschreven.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager is van mening dat in de diverse berichten een onvolledig beeld wordt gegeven van de ontstaansgeschiedenis en het vervolg van De Nieuwe Joodse Gazet, waarvan het bericht onder de kop “Volhouder” het sluitstuk vormt. De berichtgeving is volgens klager niet objectief, met name waar het gaat over het conflict met het joods café Modi’ien.
Voorafgaand aan het artikel met de kop “Einde Joodse Gazet” heeft klager een langdurig telefoongesprek gevoerd met de journalist Y. Hij verwijst daarvoor naar de transcriptie van de bandopname van dit telefoongesprek, dat hij ter zitting heeft overgelegd. De door hem tijdens dat gesprek verstrekte informatie, onder andere dat er aan een tweede nummer van de Nieuwe Joodse Gazet werd gewerkt, is niet in het artikel terug te vinden. Wel staan er negatieve kwalificaties met betrekking tot klager in het bericht. Hij heeft geen gelegenheid gehad daarop te reageren.
In het laatste bericht, met de kop “Volhouder”, wordt uitsluitend verslag gedaan van de beginfase van De Nieuwe Joodse Gazet, terwijl er nadien vele ontwikkelingen zijn geweest. Ten aanzien van dit bericht heeft geen wederhoor plaats gevonden, aldus klager.

Betrokkene stelt dat de in de berichten opgenomen citaten correct zijn. Het NIW heeft geen mening over de inhoudelijke achtergronden en de voorgeschiedenis van het conflict met café Modi’ien, maar geeft slechts de meningen van leden van de joodse gemeenschap weer. De in het artikel “Einde Joodse Gazet” weergegeven opmerkingen over klager zijn duidelijk afkomstig van de heer Harteveld. Indien onjuistheden in dit artikel voorkwamen had klager daar door middel van een ingezonden brief op kunnen reageren. Betrokkene heeft echter nooit een reactie van klager ontvangen. Het door klager opgenomen telefoongesprek vond volgens mevrouw Y plaats enige tijd voordat het artikel “Einde Joodse Gazet” werd gepubliceerd. Op dat moment had de uitgever nog niet afgehaakt. Opname van dit gesprek vond overigens plaats zonder dat mevrouw Y dat wist. Ter zitting heeft zij daartegen geen bezwaar gemaakt. Vlak vóór publikatie van dit artikel heeft mevrouw Y tevergeefs contact gezocht met klager. Betrokkene geeft toe dat de kop “Einde Joodse Gazet” een verkeerde indruk kan wekken, maar dit werd hersteld in het bericht van 2 december 1994, waarin de verschijning van het tweede nummer werd aangekondigd. Het bericht onder de kop “Volhouder” is gepubliceerd in een jaaroverzicht, waarin kwesties in herinnering gebracht worden waarover het NIW in het afgelopen jaar berichtte. Een jaaroverzicht pretendeert niet up-to-date te zijn, zo stelt betrokkene.

BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De Raad vat de klacht samen als zijnde gericht tegen
1. onjuiste berichtgeving;
2. het ontbreken van wederhoor.

Over het eerste onderdeel van de klacht oordeelt de Raad als volgt. Door het artikel en met name de kop “Einde Joodse Gazet” van 18 november 1994 is de indruk gewekt ontstaan, dat de uitgave van de Nieuwe Joodse Gazet gestopt was. Dit is echter door betrokkene gecorrigeerd met het bericht van 2 december 1994. Onjuistheden in de andere artikelen die in het NIW over de Nieuwe Joodse Gazet verschenen heeft de Raad niet kunnen constateren. Dit onderdeel van de klacht acht de Raad dan ook ongegrond.

Ook het tweede onderdeel van de klacht acht de Raad ongegrond. Voorafgaand aan het artikel met de kop “Einde Joodse Gazet” heeft de journalist telefonisch contact met klager gehad. Op dat moment was er nog sprake van de totstandkoming van een tweede nummer. Na dit gesprek heeft de journalist van de uitgever vernomen dat hij met de uitgave van de Nieuwe Joodse Gazet zou ophouden. Deze informatie, die niet onjuist is, staat in het bericht vermeld. Naar het oordeel van de Raad was het niet strikt nodig om alvorens dit te publiceren klager, als hoofdredacteur, daarover te horen. In het artikel zijn ook enkele door de uitgever geuite negatieve kwalificaties ten aanzien van klager opgenomen. Deze zijn echter niet zo ernstig, dat niet tot publikatie daarvan kon worden overgegaan, alvorens een reactie van klager was verkregen. De journaliste zegt dat zij klager benaderd heeft, maar hem niet kon bereiken. Dit is door de Raad niet vast te stellen.
Het artikel met de kop “Volhouder”, dat 10 maanden later in een jaaroverzicht werd opgenomen, is een samenvatting van de eerdere berichten over de Nieuwe Joodse Gazet. Daarin worden geen nieuwe feiten vermeld. In een dergelijk geval acht de Raad wederhoor niet nodig. Aangezien klager, die zelf journalist is, nooit heeft gereageerd op de publikaties in 1994, kon betrokkene er vanuit gaan, dat die berichten geen correctie behoefden.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in het Nieuw Israëlietisch Weekblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 24 juni 1996 door mr W.D.H. Asser, voorzitter, mr. A.J. Heerma van Voss, mr E.C.M. Jurgens, M.J. Kes, mr D.T. Dalmolen, leden, in tegenwoordigheid van mr I.H.J. Konings, secretaris.