1996/18 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

T. Bakker

tegen

H. Huigen en de hoofdredacteur van De Telegraaf

Met een brief van 8 december 1995 heeft de heer T. Bakker te Dronten (klager) een klacht ingediend tegen de heer H. Huigen, freelance journalist en tegen de hoofdredacteur van De Telegraaf (betrokkenen).
Hierop is door de heer Huigen gereageerd in een brief van 4 januari 1996.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 24 mei 1996.
Klager verscheen in persoon en overhandigde een pleitnota. De heer Huigen verscheen eveneens in persoon. Namens de hoofdredacteur verscheen de heer H. Smulders, chef van de redactie van Weekeinde.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

De betrokken journalist schrijft wekelijks een column genaamd 'Huisdier' in de zaterdagse bijlage 'Weekeinde' van De Telegraaf. In februari 1994 heeft klager de journalist H. Huigen benaderd, met het verzoek aandacht te besteden aan een geschil dat hij had met de gemeente Dronten en dat betrekking had op de vraag of 'signaalhonden' los mogen lopen. Een 'signaalhond' is een geleidehond voor auditief gehandicapten. Klager huldigt het standpunt, dat aangelijnde signaalhonden hun werk niet goed kunnen doen. De journalist antwoordde klager dat hij het geen geschikt onderwerp voor zijn column vond. Begin juni 1994 plaatste De Telegraaf een kort bericht over een uitspraak van de Rechtbank te Zwolle met betrekking tot het aanlijnen van de signaalhond van klager. De journalist wijdde daarop zijn column van zaterdag 25 juni 1994 aan klager en diens problemen met de politie, burgemeester en raadsleden van de gemeente Dronten over het aanlijnen van zijn hond. Het stuk begint met de volgende passage:
Het stond in de krant: "Dove man moet signaalhond aan de lijn houden." Daarbij gaat het over de hond van de heer T. Bakker uit Dronten. De heer Bakker is slechthorend. Hij heeft zijn hond echter geleerd om attent te zijn. Nu spitst het dier de oortjes, als er van achteren een bromfiets nadert. "En zo zijn er nog een paar trucjes", zegt de heer Bakker. "Aan het gedrag van de hond kan ik zien wat andere mensen kunnen horen." Maar wat deed de heer Bakker nog meer? Hij noemde zijn hond meteen een 'signaalhond'. (...)
In de column wordt voorts gemeld, dat klager, nadat hij vrijstelling van hondenbelasting had gekregen, eiste dat zijn hond overal zou mogen loslopen, ook waar dat niet mag. Omdat het een signaalhond is, want hij hoeft er toch geen belasting voor te betalen? Klager mocht door een uitspraak van de Raad van State zijn hond in een straal van 500 meter rond zijn woning los laten lopen. Hij zou volgens de journalist echter nog steeds boos zijn op politie, burgemeester en raadsleden, omdat zijn hond niet overal los mag lopen. Volgens enkele door de

journalist aangehaalde deskundigen zou het wel mogelijk zijn voor een aangelijnde signaalhond om zijn werk te doen. Het stuk eindigt als volgt: Wie er goed zit? Die rechter in Zwolle. Rond het huis mag de hond los, daarna moet hij aan de lijn. De heer Bakker zal wel weer boos zijn. Om die uitspraak en omdat ik er dit stukje over heb geschreven. Klager zond naar aanleiding van het stuk diezelfde dag een ingezonden brief aan De Telegraaf, die niet werd geplaatst. In een schriftelijke toelichting van De Telegraaf werd onder andere de lengte van de brief genoemd als argument om die niet te plaatsen. Nadat een procedure tegen de gemeente Dronten en een onderzoek door de Nationale Ombudsman over de kwestie in het voordeel van klager waren geëindigd, heeft hij op 7 november 1995 daarover een ingezonden brief aan De Telegraaf gezonden. Ook die werd niet geplaatst.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager voelt zich beledigd en belachelijk gemaakt door de journalist. De column is volgens klager onnodig kwetsend van toon en zeer op zijn persoon gericht, nu daarin zijn naam, woonplaats en handicap genoemd worden. Een signaalhond is geen dier dat je 'trucjes' leert, aldus klager. Hij heeft met zijn zaak de publiciteit gezocht, niet voor zichzelf, maar omdat de kwestie alle auditief gehandicapten aangaat. Volgens klager is hij plaatselijk het mikpunt van spot geworden, waardoor hij veel schade heeft geleden.
Klager is bovendien van mening, dat zijn ingezonden brieven ten onrechte niet zijn geplaatst. Nu de column zo duidelijk op hem persoonlijk betrekking had, diende De Telegraaf hem de kans te geven om zich te verweren.

De heer Huigen is van mening dat zijn column een adequate weergave van de feiten is geweest, gebaseerd op de meningen van de verschillende partijen en niet onnodig grievend voor klager. De heer Huigen had uit de contacten met klager een bepaalde indruk van hem, die bevestigd werd door informatie die hij van de gemeente Dronten ontving. Hij was op de hoogte van de pesterijen waaronder klager in zijn woonplaats ook vóór de publikatie van de column reeds te lijden had. Hij vermoedde wel dat klager niet blij zou zijn met het stuk, dat heeft hij er zelfs in vermeld. In een telefoongesprek met de journalist zou klager zelf gesproken hebben over 'trucjes'. Uit diens uitlatingen tijdens dat telefoongesprek kon de journalist niets anders concluderen dan dat klager zeer verongelijkt en erg boos was. De toon van een column is niet zo zakelijk-informatief als van een artikel, aldus de heer Huigen. Van de ingezonden brieven van klager was hij niet op de hoogte.
Door de heer Smulders, chef redactie Weekeinde, werd ter zitting verklaard, dat Weekeinde een vrij zelfstandig magazine is dat geen eigen brievenrubriek heeft. De ingezonden brieven van klager zijn naar de redactie van De Telegraaf gestuurd en zijn niet bij de redactie van Weekeinde terecht gekomen. De redactie van De Telegraaf ontvangt dagelijks zeer veel ingezonden brieven.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad vat de klacht samen als te zijn gericht tegen:
1. het noemen van de naam, woonplaats en handicap van klager, in samenhang met de toonzetting van de column,
2. het niet plaatsen van de ingezonden brieven.

Over het eerste onderdeel van de klacht oordeelt de Raad als volgt. Hoewel de journalist de naam van klager, vanwege de pesterijen waarvan hij op de hoogte was, beter weg had kunnen laten, had hij, aangezien klager met zijn zaak zelf de publiciteit had gezocht, voldoende redenen om diens naam wel te vermelden. De woonplaats en de handicap van klager waren voor de lezer relevante informatie, zodat vermelding daarvan eveneens gerechtvaardigd is.
De Raad is van mening dat het stuk badinerend van toon is ten aanzien van klager. Rekening houdend met het feit dat het hier een column betreft, acht de Raad dat niet onaanvaardbaar. In een dergelijke rubriek komt aan de journalist nu eenmaal een grote mate van vrijheid toe om zijn mening in kritische bewoordingen te uiten.

In zijn geheel genomen levert de column naar het oordeel van de Raad geen onbehoorlijke journalistieke gedraging op.

Het tweede onderdeel van de klacht is gedeeltelijk gegrond. Een krant mag in beginsel ingezonden brieven weigeren. Doordat klager in het stuk persoonlijk op de hak werd genomen, behoorde De Telegraaf evenwel meer zorgvuldigheid te betrachten bij de beoordeling van de door klager naar aanleiding van de publikatie ingezonden brief. Als een ingezonden brief te lang is of tekort schiet in helderheid is dat op zichzelf geen reden om die terzijde te schuiven. De krant heeft immers de mogelijkheid om de brief in te korten, dan wel de briefschrijver om een nadere toelichting te vragen. De Raad is van oordeel dat, nu de column zeer op de persoon van klager was gericht, De Telegraaf publikatie van een weerwoord van klager, door middel van een ingezonden brief, niet had mogen weigeren. Dat geldt overigens niet voor de tweede brief van klager, die immers bijna anderhalf jaar na publikatie van de column is gestuurd. In zoverre is het tweede onderdeel van de klacht ongegrond.

BESLISSING:

De Raad acht de klacht gegrond, voor zover die betrekking heeft op de weigering van de redactie om de ingezonden brief van klager te plaatsen, en voor het overige ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in De Telegraaf te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 11 juni 1996 door prof. mr W.D.H. Asser, voorzitter, mr. A.J. Heerma van Voss, prof. mr E.C.M. Jurgens, M.J. Kes, mr D.T. Dalmolen, leden, in tegenwoordigheid van mr I.H.J. Konings, secretaris.

Voorzitter Secretaris

RvdJ 1996, 18.