1996/17 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X. Y.

tegen

M. Koolhoven en de hoofdredacteur van De Telegraaf

Met een brief van 17 januari 1996 heeft mr R. van der Hoeven, advocaat, namens mevrouw Y. (klaagster) te Kaatsheuvel een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van De Telegraaf en de heer M. Koolhoven, journalist (betrokkenen).
Hierop is door de heer Koolhoven gereageerd in een brief van 31 januari 1996.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 24 mei 1996.
Mevrouw Y. verscheen in persoon, vergezeld door haar echtgenoot, en werd bijgestaan door haar advocaat mr Van der Hoeven, die een pleitnota met 13 bijlagen overhandigde. Betrokkenen zijn niet verschenen.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Op de voorpagina van De Telegraaf van 14 november 1995 verscheen een artikel van de journalist M. Koolhoven met de kop 'Politie-officier in Kaatsheuvel misbruikte dochtertje collega', welk artikel wordt vervolgd op pagina 6 van hetzelfde nummer. Daarin wordt bericht over een zedenzaak die zich afspeelde bij de politie in Kaatsheuvel. De echtgenoot van klaagster werd ervan verdacht in het najaar van 1988 de toen 13-jarige dochter van collega en buurman H. van K. seksueel te hebben misbruikt. In het bericht komen onder meer de volgende passages voor:
Hoewel de familie Van K. nu op een andere plek in Kaatsheuvel een nieuw leven tracht op te bouwen, komt de brigadier nog bijna iedere dag op het politiebureau zijn ex-buurvrouw (.......), echtgenote van de inspecteur, tegen. Zij is persvoorlichtster van het district Waalwijk. De twee voormalige buren kunnen elkaars bloed wel drinken. (...)
Collega's van (.......) beschuldigen de persvoorlichtster ervan dat ze de achtergronden van de seks-affaire van haar man zorgvuldig uit de publiciteit heeft weten te houden.
De korpschef Politie Midden en West Brabant heeft op 14 november 1995 aan De Telegraaf een persbericht gestuurd, waarin hij afstand neemt van de in het artikel geuite beschuldiging en meedeelt, dat klaagster als persvoorlichtster in deze zaak geen enkele rol speelt en overigens niet is gebleken dat haar in deze zaak enig verwijt treft.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Volgens klaagster staan er aantoonbaar onjuistheden in het bericht in De Telegraaf. Het zou onjuist zijn dat zij haar voormalig buurman Van K. nog bijna iedere dag op het politiebureau tegenkomt. Dat gebeurt hooguit 2 à 3 maal per jaar. Van K. werkt in Kaatsheuvel en heeft onregelmatige en surveillance-diensten. Zelf werkt ze in Waalwijk en hoeft ze naar schatting slechts 15 maal per jaar tijdens kantooruren op het bureau in Kaatsheuvel te zijn.

De mededeling dat haar echtgenoot verliefd is geweest op de dochter van zijn collega is volgens klaagster eveneens niet juist, het omgekeerde was het geval.
Klaagster verwijst naar het overgelegde persbericht van de korpschef, waaruit blijkt dat zij vanuit haar functie op geen enkele wijze betrokken is geweest bij de zaak waarin haar echtgenoot verwikkeld is. De zaak rond haar echtgenoot wordt op regioniveau behandeld. Klaagster is districtsvoorlichtster van het district Waalwijk. Vanaf 1992 tot medio 1993, dus vóórdat de affaire van haar echtgenoot begon te spelen, was zij voorlichtster van het regionale Projectbureau Reorganisatie. Eind 1994 werd aangifte gedaan van seksueel misbruik door het buurmeisje. Klaagster wist tot op dat moment van niets. In het artikel wordt gesuggereerd dat klaagster misbruik van haar functie heeft gemaakt. Er worden twijfels opgeroepen aan haar integriteit en onkreukbaarheid. De journalist had de geuite, zeer ernstige beschuldiging niet mogen publiceren, zonder wederhoor toe te passen. Klaagster was goed bereikbaar, privé, op haar werk en via haar semafoon of antwoordapparaat. Ook via de regionaal correspondent van De Telegraaf, die klaagster in verband met haar functie kent, had de journalist met haar contact op kunnen nemen. De heer Koolhoven heeft met klaagster nooit gesproken. De beschuldiging is uitsluitend op een roddel gebaseerd en de juistheid daarvan is door de journalist op geen enkele wijze nagetrokken. Uit het overgelegde persbericht van de korpschef blijkt dat de beschuldiging onterecht is.
De journalist heeft volgens klaagster ook verzuimd te melden dat de feiten waarvan haar echtgenoot wordt beschuldigd reeds zeven jaar geleden hebben plaatsgevonden.

De heer Koolhoven stelt dat hij zijn artikel op feiten heeft gebaseerd. Twee collega's van klaagster zouden kritiek hebben geuit op haar rol bij de berichtgeving over de zedenzaak in de lokale pers. Hij zou ook een anonieme brief hebben ontvangen met dezelfde kritiek. De beschuldiging is niet op de voorpagina afgedrukt en is toegeschreven aan de collega's van klaagster. Klaagster zou niet voor commentaar bereikbaar zijn.
De journalist zegt met veel direct betrokkenen persoonlijk te hebben gesproken, alvorens hij tot publikatie overging. Naar aanleiding van de mededeling van klaagster, dat de woordvoering over de zedenzaak op regioniveau plaatsvond, stelt de heer Koolhoven dat klaagster vóórdat zij persvoorlichtster in het district Waalwijk werd, een functie op het stafbureau van de regionale korpsleiding zou hebben vervuld.
De feiten die het artikel noemt: de veroordeling van klaagsters echtgenoot, de verhuizing van brigadier Van K. en de spanning binnen het korps deden zich eind 1995 voor.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad heeft op grond van een ter zitting overgelegde verklaring van de teamchef te Kaatsheuvel kunnen vaststellen, dat de bewering dat klaagster haar voormalig buurman bijna iedere dag tegenkomt onjuist is. De door klaagster genoemde onjuistheden, die betrekking hebben op de zaak van haar echtgenoot, worden hier buiten beschouwing gelaten.
De Raad is van oordeel dat de in het artikel aangehaalde beschuldiging aan het adres van klaagster, afkomstig van twee niet met name genoemde collega's en een anonieme bron, ernstig is. Een beschuldiging als van deze aard en ernst behoort in beginsel niet te worden gepubliceerd alvorens degene die het betreft in de gelegenheid is gesteld daarop te reageren, en in geen geval als de bron van de informatie anoniem blijft en de lezer zich niet zelf een oordeel kan vormen over de geloofwaardigheid van die bron. Dat klaagster voor wederhoor onbereikbaar was komt de Raad onaannemelijk voor, gelet op haar functie van voorlichtster. Betrokkenen hebben bovendien aan het door de korpschef verspreide persbericht, waarin op de onjuistheid van de beschuldiging werd gewezen, geen enkele aandacht besteed.

De Raad is daarom van oordeel dat betrokkenen de grenzen van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke zorgvuldigheid, maatschappelijk aanvaardbaar is, hebben overschreden.

BESLISSING:

De Raad acht de klacht gegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in De Telegraaf te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 11 juni 1996 door prof. mr W.D.H. Asser, voorzitter, mr. A.J. Heerma van Voss, prof. mr E.C.M. Jurgens, M.J. Kes, mr D.T. Dalmolen, leden, in tegenwoordigheid van mr I.H.J. Konings, secretaris.

RvdJ 1996, 17.