1996/14

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Stichting Gezondheidsdienst voor Dieren in Noord-Nederland

tegen

de hoofdredacteur van De Telegraaf

In een brief van 7 november 1995 met twee bijlagen heeft dr. G. Benedictus, sectordirecteur van de Stichting Gezondheidsdienst voor Dieren in Noord-Nederland (klaagster) te Drachten een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van De Telegraaf (betrokkene).
Hierop is door mr J. Olde Kalter, hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 11 januari 1996.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 12 april 1996. Namens klaagster verscheen de heer J. Veling, dierenarts bij de rundvee-afdeling van klaagster. Betrokkene had laten weten geen gebruik te zullen maken van het recht om zijn standpunt mondeling toe te lichten en is niet verschenen.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Klaagster is een tweede-lijnsorganisatie voor veehouders binnen de dierengezondheidszorg. Zij wordt op verzoek van veehouders ingeschakeld bij besmettelijke dierziekten en bij ingewikkelde diagnostiek.
In het dagblad De Telegraaf verscheen op 18 oktober 1995 onder de kop 'Koeien en kalveren vergiftigd' het volgende bericht :
Bij een veehouder uit het Noordhollandse Beets zijn in korte tijd bijna 50 melkkoeien en 30 kalveren doodgegaan. Verschillende organen van het vee bleken geperforeerd. Onderzoek van de Gezondheidsdienst voor Dieren wees uit dat de dieren zijn vergiftigd. Vermoedelijk raakte hun drinkwater vervuild door illegale stortingen. In het water werden tot vijf keer de toegestane hoeveelheid strontium en ammonium aangetroffen. Het drama speelde de afgelopen twee maanden, hetgeen bij de familie tot grote onzekerheid leidde. Het komt zelden voor dat een veehouder in een klap meer dan de helft van zijn koeien en kalveren kwijtraakt.
Een dag later, op 19 oktober 1995, besteedde De Telegraaf opnieuw aandacht aan de kwestie. De betreffende koeien waren in het slachthuis goedgekeurd en melk en vlees van de dieren waren voor menselijke consumptie op de markt gebracht, zo berichtte De Telegraaf. De dieren zouden lijden aan een vorm van kanker. Volgens een veearts uit Oosthuizen, die de koeien had onderzocht, veroorzaakte de aangetroffen bacterie actino bacillus lignieresii abcessen in lies, hals en kop en tastte nieren, lever en middenrif van de dieren aan, hetgeen ongebruikelijk is. Volgens de veearts heeft vergiftigd water niets met de ziekte te maken en is er geen reden voor paniek met betrekking tot de consumptie van vlees en melk. Het artikel eindigt met de passage: De Gezondheidsdienst voor Dieren in Noord-Nederland wil desgevraagd geen verdere informatie geven. Wel zegt een laborant een sectieraport te hebben van 20 melkkoeien afkomstig van het bedrijf van Pauw. Wat de dieren precies onder de leden hebben, wil de laborante vanuit privacy-overwegingen niet kwijt.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Volgens klaagster bevatten de artikelen onwaarheden, waardoor een toch al onder druk staande sector, de veehouderij, in een kwaad daglicht komt te staan.
In juni 1995 is door een dierenarts van klaagster op het bedrijf in Beets de infectieziekte actinobacillose geconstateerd en dus géén vergiftiging, zoals in het eerste artikel wordt vermeld. Vanwege de gezwellen lijkt de ziekte op kanker, maar dat is het niet. Omdat de veehouder weigerde de dieren te laten behandelen breidde het aantal aangetaste dieren zich gestadig uit. In het artikel wordt gesproken over sterfte van ongeveer tachtig dieren bij het bedrijf in de voorafgaande twee maanden. Dit is volgens klaagster onjuist. In overleg met de veehouder is in de eerste helft van augustus besloten ongeveer twintig dieren te laten slachten. Dit is volgens klaagster iets anders dan sterven door ziekte. Op het moment van de publikatie in De Telegraaf waren er bovendien al twee maanden verstreken sinds de slachting, zodat er ten onrechte een sfeer van paniek werd geschapen. Dat er bij wateronderzoek een teveel aan strontium zou zijn aangetroffen wordt door klaagster bestreden. Wel is er een te hoog ammoniumgehalte gemeten, waardoor het water ongeschikt was als drinkwater voor vee, doordat geur en smaak van het water veranderen en de dieren er daardoor minder van drinken. De dieren worden er echter niet ziek van, aldus klaagster. Een verband met de infectieziekte is niet aanwezig.
In het tweede artikel wordt door betrokkene niets teruggenomen van hetgeen de dag daarvoor over klaagster is geschreven. Ook met het tweede artikel, van 19 oktober 1995, wordt volgens klaagster schade toegebracht aan de sector, hoewel de vleesconsumptie geen zaak is die haar direct aangaat. Met de verstrekking van informatie aan de pers is klaagster doorgaans erg terughoudend, zo ook in dit geval. Uitgangspunt daarbij is altijd dat de veehouder daar over moet beslissen.

Volgens betrokkene is zorgvuldig informatie verzameld door de journalist. Een terzake kundig correspondent is geraadpleegd en ingezet en er heeft hoor en wederhoor bij de betrokken partijen, waaronder klaagster, plaatsgevonden. Het verschil in het aantal overleden dieren is volgens betrokkene als volgt te verklaren: twintig dieren zouden naar een slachthuis zijn gebracht en zestig dieren naar een destructiebedrijf, uit bezorgdheid van de betrokken veehouder voor de gevolgen van de ziekte voor de volksgezondheid. Volgens betrokkene heeft de veehouder niet geweigerd de dieren te laten behandelen, maar heeft hij op advies van klaagster gehandeld, die behandeling 'buitengewoon moeilijk en eigenlijk praktisch onuitvoerbaar' genoemd zou hebben. De veehouder meent nog steeds dat de ziekte onder zijn vee is veroorzaakt door verontreiniging met zware metalen. Het RIVM rondt binnenkort een onderzoek naar verontreiniging van grond en water rond het veehoudersbedrijf af. Betrokkene wijst erop dat de diagnose 'vergiftiging', die van klaagster afkomstig zou zijn, in het tweede artikel niet herhaald wordt .

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht heeft betrekking op twee artikelen, die op 18 en 19 oktober 1995 door betrokkene zijn gepubliceerd.

Het eerste artikel bevat volgens klaagster een aantal onjuistheden. De Raad vat die als volgt samen:
- het aantal dode dieren klopt niet;
- een en ander speelde zich al af in de periode vóór de in het artikel genoemde twee maanden;

- de diagnose 'vergiftiging' is door klaagster nooit gesteld;
- de gegevens over de verontreiniging van het water kloppen niet en een verband met de infectieziekte is door klaagster niet gelegd.
De Raad is van oordeel dat niet is vast te stellen hoeveel dieren er uiteindelijk zijn overleden en op welke wijze. In elk geval staat vast dat er 20 dieren zijn geslacht in verband met de geconstateerde ziekte. Van de overige 60 staat dat niet vast. Ook de termijn waarbinnen het drama zich afspeelde is door de Raad aan de hand van de stukken en het verhandelde ter zitting niet vast te stellen.
De berichtgeving over de door klaagster gestelde diagnose is echter onjuist en een verband tussen de geconstateerde ziekte en de kwaliteit van het water is door klaagster niet gelegd. Ook de resultaten van het door klaagster verichte wateronderzoek zijn niet juist weergegeven in het artikel. De Raad is van mening dat daarmee de grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid maatschappelijk aanvaardbaar is. Dit onderdeel van de klacht acht de Raad dan ook gegrond.

In het tweede artikel is de mededeling met betrekking tot de vergiftiging van de dieren en het verband met verontreinigd drinkwater feitelijk teruggenomen, nu daar sprake is van een mededeling van een arts, die aangeeft dat het om een uitbarsting van de bacterie actilo bacillus lignieresii gaat en dat vergiftigd water niets met de ziekte te maken heeft. Het feit dat in dit artikel geen aandacht wordt besteed aan de diagnose van klaagster is naar het oordeel van de Raad te wijten aan haar weigering om informatie te geven aan de journalist, nadat zij daartoe in de gelegenheid is gesteld. Dit onderdeel van de klacht acht de Raad ongegrond.

BESLISSING:

De Raad acht de klacht gegrond, voor zover gericht tegen de vermelding van onjuistheden in het artikel van 18 oktober 1995 en voor het overige ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in De Telegraaf te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 6 mei 1996, door mr P.J. Boukema, voorzitter, mr G. Dullens, M.J. Kes, J.A. Koerts en A.G. Scherphuis, leden, in tegenwoordigheid van mr I.H.J. Konings, secretaris.

RvdJ 1996, 14.