1996/13 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

mr A.W.H. Docters van Leeuwen

tegen

de VPRO - Lopende Zaken

In een brief van 6 november 1995 waarbij vijf bijlagen en een opname op videoband werden overgelegd heeft mr E.J. Daalder (landsadvocaat), namens mr A.W.H. Docters van Leeuwen (klager), zowel namens hem als persoon als in zijn hoedanigheid van procureur-generaal bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage een klacht ingediend tegen de VPRO (betrokkene).
Hierop is door H.M. van den Brink, hoofdredacteur VPRO-televisie, gereageerd in een brief van 19 december 1995 met zeven bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 12 april 1996. Namens klager verschenen zijn advocaat mr E.J. Daalder en de heer J. Simonis, voorlichter van het Openbaar Ministerie. Namens betrokkene verschenen de heer H.M. van den Brink, de heer H. Simonse, verslaggever VPRO, en de heer F. Stopen, juridisch medewerker VPRO. Door mr Daalder werd een pleitnota overgelegd. Na sluiting van de mondelinge behandeling heeft de Raad de video-opname bekeken.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Betrokkene zond op 15 oktober 1995 op Nederland 3 het televisieprogramma "Lopende Zaken" uit, over het gebruik van informanten door justitie. Informant F. deed verslag van zijn infiltraties in criminele kringen en zijn ervaringen met het Openbaar Ministerie. Ook zijn advocaat, mr M.R. Mantz, werd geïnterviewd. De volgende passage uit het programma is daarbij van belang:
De interviewer zegt begrepen te hebben, dat het Openbaar Ministerie er problemen mee zou hebben wanneer F. verhoord zou worden.
Advocaat: Zaterdagmiddag 30 september kwam cliënt naar mijn kantoor, wilde me spreken en zei ik heb net een bespreking gehad met negen mensen. Uit de beschrijving kon ik gaan afleiden dat het waarschijnlijk de procureur-generaal mijnheer Docters van Leeuwen was die zelf dan aanwezig zou zijn en die daarvoor...
Interviewer: Procureur-generaal in het ressort Den Haag?
Advocaat: Nou, in heel Nederland hè.
Interviewer: Ja.
Advocaat: De hoogste baas. En toen ehhh...
Interviewer: Maar is dat niet een beetje onwaarschijnlijk dat Docters van Leeuwen persoonlijk gaat praten met een infiltrant?
Advocaat: Ik kan mij voorstellen dat...
Interviewer: Waarom denkt u dat inderdaad Docters van Leeuwen daarbij aanwezig was?
Advocaat: Nou heel simpel, op een goed moment heeft mijn cliënt er meer over gezegd. Die

man die stelde zich voor als de grote baas die alles voor het zeggen had en hij zou zeggen wat er gebeurde en als hij bescherming beloofde dan was die bescherming er ook. En toen heb ik op een goed moment een fotootje voorgehouden aan cliënt. Deze foto (laat foto zien van Docters van Leeuwen) en ik had hem nog niet naar boven of toen werd gezegd "ja, ja, ja, dat is hem, dat is hem".
Interviewer: Uw cliënt bevestigde dat mijnheer Docters van Leeuwen daarbij aanwezig was, bij dat gesprek.
Advocaat: Ja. Ehh, er werd gezegd van uhhm, tegen mijn cliënt van wij zullen wel een uuhh draaiboek voor u maken, dat noemde ze een Van Traa-draaiboek en daar stond dan precies in wat wel gezegd mocht worden en wat niet gezegd mocht worden. En eehh, ja, er zou onder andere in plaats van veertien operaties waaraan cliënt meegewerkt heeft slechts gesproken mogen worden over ik dacht zes operaties en ik denk, ja, dan heb je weer toch een frustratie van de waarheidsvinding. De commissie Van Traa die vragen stelt, probeert er inzicht in te krijgen en als je dan op dit niveau zegt "nou, wij hebben toch liever niet dat de waarheid gezegd wordt, maar halve waarheid", of nog niet eens de helft, ja dan zeg ik daar heb ik moeite mee.
Interviewer: Maar u, u suggereert of u suggereert niet alleen, zegt dus eigenlijk en u bent advocaat dus u zult zich goed realiseren dat het vrij ernstig is wat u zegt, dat onder instigatie van Docters van Leeuwen, procureur-generaal in Den Haag, tegen uw cliënt is gezegd:"denk er om, je mag niet alles vertellen als je straks onder ede getuigt voor de commissie Van Traa".
Advocaat: Exact.
In een brief aan de voorzitter van de VPRO van 16 oktober 1995 heeft klager aangegeven de informant F. niet te kennen, nooit met hem te hebben gesproken en op geen enkel tijdstip een gesprek van een strekking zoals in het interview bedoeld te hebben bijgewoond. Tevens verzocht hij om opheldering en rectificatie. In zijn antwoord bood hoofdredacteur Van den Brink klager de mogelijkheid om zijn zienswijze kenbaar te maken in het radioprogramma Argos, de eerste geschikte gelegenheid. Dit aanbod is later herhaald, met de toevoeging dat de VPRO over meer mogelijkheden beschikt dan genoemd programma. Klager liet weten daarop niet in te willen gaan en kondigde aan de kwestie te zullen voorleggen aan de Raad voor de Journalistiek.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager is van mening dat betrokkene ten onrechte het beginsel van hoor en wederhoor heeft genegeerd. In het programma Lopende Zaken werd een zeer ernstige beschuldiging aan het adres van klager geuit, namelijk dat klager een strafbaar feit heeft gepleegd, door een getuige onder druk te zetten over de door hem voor de Commissie Van Traa af te leggen verklaring. Betrokkene heeft voorts nagelaten de geuite beschuldiging, die volgens klager elke grond mist, te verifiëren en te informeren naar de achtergronden van de personen die de beschuldiging hebben geuit. Met het aanbod om in een volgende uitzending te reageren wordt het onzorgvuldig handelen van betrokkene naar de mening van klager niet weggenomen. De opvatting dat daarmee een onzorgvuldig handelen voldoende wordt gecompenseerd, zou betekenen dat elke vorm van onzorgvuldig handelen bij de voorbereiding van een uitzending achteraf kan worden weggenomen door het aanbieden van een mogelijkheid om alsnog te reageren. Een journalist zou op deze wijze het Openbaar Ministerie dwingen om medewerking te geven aan een programma of publicatie. Voorts is van belang, dat een reactie op een beschuldiging, die enige tijd later komt, nooit de door een uitzending of publicatie toegebrachte schade volledig kan wegnemen. De praktijk leert, aldus klager, dat daarover bepaald minder intensief wordt bericht. Bovendien zou het publiek de gelegenheid van een gewogen oordeel worden onthouden. Daarnaast is volgens klager te verwachten dat als uit wederhoor blijkt dat er sprake is van
onjuistheden, uitzending daarvan achterwege gelaten zal worden. Betrokkene had naar de
mening van klager geen valide argumenten om van het beginsel van hoor en wederhoor af te zien. Betrokkene moet hebben geweten dat de uitzending van het bewuste interview tot publicitaire commotie zou leiden, aangezien door middel van een door betrokkene uitgegeven persbericht de aandacht daarop werd gevestigd.
Hoewel de beschuldigingen zijn gericht op zijn optreden als procureur-generaal, heeft klager ook als privé-persoon een rechtstreeks belang bij een uitspraak van de Raad. Indien sprake is van strafbare feiten kunnen ambtenaren namelijk als privé-persoon aangesproken worden, zowel strafrechtelijk als civielrechtelijk.

Betrokkene is van mening dat de klacht primair afkomstig is van de Staat en niet van een in zijn privébelang getroffen burger. Dit zou blijken uit het feit dat gebruik gemaakt is van de officiële publiciteitsmiddelen die het parket van de procureur-generaal bij het gerechtshof ten dienste staan. Ook de advocaat van klager duidt in zijn correspondentie de zaak aan met 'Staat/VPRO'. De overheid dient volgens betrokkene met het oog op de vrijheid van meningsuiting terughoudend te zijn bij het aantekenen van protest tegen onwelgevallige publiciteit. Bovendien moet de overheid zeer wel in staat worden geacht om met behulp van alle haar ten dienste staande middelen toegang tot de publiciteit te krijgen. Ook in dit geval is zij daarin geslaagd. Klager heeft zijn reactie op de uitzending via diverse media kenbaar gemaakt.
Het betrof hier een uitzending over de schaduwzijden van het gebruik van informanten door Justitie. De betwiste uitlatingen vormden volgens betrokkene slechts een betrekkelijk ondergeschikt onderdeel van de uitzending. In de betreffende uitzending passeerde een reeks van duidelijk subjectieve opvattingen over het optreden van justitie. Dat juist deze ene uitlating eruit zou worden gelicht lag volgens betrokkene niet in de lijn der verwachting. Toen dit het geval bleek te zijn heeft betrokkene klager onmiddellijk de gelegenheid geboden zijn bezwaren in VPRO-zendtijd te ventileren.
Betrokkene ontkent dat in de uitzending is bericht dat klager informant F. 'onder druk heeft gezet', 'getracht heeft te beïnvloeden' en 'een strafbaar feit heeft gepleegd door een getuige onder druk te zetten', zoals klager betoogt. Er zou in de uitzending slechts bericht zijn over de, door de interviewer betwijfelde, aanwezigheid van een ambtenaar in functie bij een bijeenkomst waarin onder meer gesproken is over de voorbereiding van een mogelijk verhoor van informant F. De bewering van de advocaat is in de uitzending duidelijk in twijfel getrokken. Overigens had hij deze bewering reeds op 1 oktober 1995 in een brief aan de Commissie van Traa geuit, hetgeen op zichzelf beschouwd kan worden als een nieuwsfeit, dat vermelding in de media verdient.
Bij betrokkene bestond de vrees dat het toepassen van hoor en wederhoor vóór de uitzending ertoe zou leiden dat informant F. zou afzien van zijn medewerking aan het programma. Daarbij wist betrokkene uit ervaring, dat bij verzoeken om informatie aan het Openbaar Ministerie het standaardantwoord luidt, dat over 'operationele aspecten' met betrekking tot infiltranten nooit informatie aan de pers wordt verstrekt. Indien klager desgevraagd de beschuldiging ontkend zou hebben, zou dit hebben geleid tot een tekstregel aan het eind van de uitzending, waarin de ontkenning zou zijn vermeld. Betrokkene vraagt zich af wat daarvan de waarde zou zijn geweest. Klager is in de gelegenheid gesteld in een ander programma op de uitzending te reageren, hetgeen meer had bijgedragen aan de informatievoorziening van het publiek dan in dit specifieke geval vooraf mogelijk zou zijn geweest. Ook bij wederhoor voorafgaand aan de uitzending kan de inhoud van de gedane beweringen de facto dwingen tot een reactie en tot medewerking aan het bewuste programma. Voor betrokkene staat vast dat daarmee uitzending van de gewraakte passages zeker niet was voorkomen. Betrokkene noemt het afzien van wederhoor voorafgaand aan de uitzending 'een schoonheidsfout'.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad beschouwt de klacht als afkomstig van zowel klager als privépersoon als in zijn hoedanigheid van procureur-generaal en merkt hem in beide hoedanigheden als rechtstreeks belanghebbende aan.
Naar het oordeel van de Raad gaat het hier om een zware beschuldiging, namelijk dat klager betrokken zou zijn bij de uitoefening van druk op een getuige om niet de waarheid te spreken. De ernst van deze beschuldiging en de positie van klager vergen in beginsel van betrokkene dat de uitlatingen geverifieerd worden en/of dat er wederhoor plaatsvindt. Toch heeft het achterwege laten daarvan in dit geval niet tot het oordeel geleid dat de grens van het maatschappelijk oorbare is overschreden. De Raad heeft bij zijn beoordeling gewicht toegekend aan het volgende:
De VPRO heeft de beschuldiging uitdrukkelijk niet tot de hare gemaakt. De interviewer heeft herhaalde malen blijk gegeven van zijn twijfels omtrent de geuite beschuldiging. De identiteit van de advocaat, van wie de beschuldiging afkomstig was, was voorts bekend. Deze had bovendien veertien dagen vóór de uitzending een brief gestuurd over de kwestie aan de Commissie van Traa. Het stond betrokkene naar het oordeel van de Raad vrij aan dit nieuwsfeit als zodanig ruchtbaarheid te geven.
De Raad heeft er begrip voor dat de negatieve ervaringen van betrokkene met de toegankelijkheid van het Openbaar Ministerie, waar het gaat om commentaar op operationele zaken, zijn meegewogen bij het besluit om geen commentaar te vragen. Desondanks had het, mede gelet op de inhoud van de geuite beschuldiging, verreweg de voorkeur verdiend indien betrokkene voorafgaand aan de uitzending daarop een reactie van klager had gevraagd. Dit is door betrokkene ter zitting ook erkend. Daar staat echter tegenover dat betrokkene klager gelegenheid tot een weerwoord heeft gegeven door het aanbod om in VPRO-zendtijd op de uitzending te reageren. Daarvan is door klager om voor de Raad niet begrijpelijke redenen geen gebruik gemaakt. Klager had daarmee immers de gelegenheid de beschuldigingen te ontzenuwen en de gestelde schade zoveel mogelijk te beperken. Dat betrokkene niet tot de door klager gevraagde rectificatie is overgegaan kan betrokkene niet worden verweten, nu klager zich beperkt heeft tot de mededeling dat het door de advocaat vermelde gesprek niet heeft plaats gehad en betrokkene niet over eigen middelen beschikt om de waarheid terzake vast te stellen.
Op grond van deze overwegingen is de Raad van oordeel dat alles bijeengenomen in dit geval geen grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING:

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting te vermelden in een van de televisie-uitzendingen van 'Lopende Zaken'.

Aldus vastgesteld door de Raad op 6 mei 1996 door mr P.J. Boukema, voorzitter, mr G. Dullens, M.J. Kes, J.A. Koerts en A.G. Scherphuis, leden, in tegenwoordigheid van mr I.H.J. Konings, secretaris.

RvdJ 1996, 13.