1996/12 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

J. Klugkist

tegen

de hoofdredacteur van De Gelderlander

In een brief van 18 oktober 1995 met 33 bijlagen heeft de heer J. Klugkist (klager) te Arnhem een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van De Gelderlander (betrokkene).
Hierop is door de heer H.J. Kuyt, hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 30 november 1995.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 15 maart 1996. Klager was daarbij in persoon aanwezig. Betrokkene had laten weten geen gebruik te zullen maken van het recht zijn standpunt mondeling toe te lichten en is niet verschenen.
De stukken zijn nadien nog aangevuld met een afschrift van een brief van klager aan betrokkene van 16 september 1995.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

In het dagblad De Gelderlander verschenen in november 1994 diverse berichten over interne conflicten bij de Stadspartij Arnhem, die zich toespitsten op mogelijke financiële malversaties. Klager was op dat moment fractiemedewerker van de Stadspartij Arnhem. In De Gelderlander van 1 november 1994 werd onder de kop 'Geld partij op eigen rekening' en de subkop 'fractiemedewerker Stadspartij bekent op ledenvergadering overschrijven van gemeentelijke bijdrage' een artikel gepubliceerd, dat begint met de volgende passage:
Fractiemedewerker J. Klugkist van de Stadspartij Arnhem heeft eigenhandig een giro-overschrijving zo gewijzigd dat 3.800 gulden van de partijkas is overgemaakt naar zijn eigen rekening. Dat heeft hij gisteren op de ledenvergadering van zijn partij, ten overstaan van zo'n veertig leden, toegegeven.
Het artikel beschrijft het tumultueuze verloop van de ledenvergadering, waarbij klager, die sinds juni 1994 de girorekening van de partij onder zijn beheer heeft, als volgt wordt geciteerd: "Ik heb dat bedrag in overleg met De Graas op mijn eigen rekening overgeschreven. Ik heb ingegrepen omdat het in de partij een zootje was." Fractievoorzitter De Graas was de enige die betalingsopdrachten mocht geven. Hij had de giro ondertekend, waarna klager het bedrag veranderd zou hebben.

Het artikel eindigt met vermelding van de mededeling van raadslid Brinker, dat klager heeft toegezegd dat het geld zo snel mogelijk zal worden teruggegeven.
Op 4 en 5 november en op 3 december 1994 verschenen er vervolgartikelen in De Gelderlander over de affaire. In het bericht van 4 november werd vermeld dat klager eigenhandig het bedrag op een ondertekende giro-overschrijving heeft veranderd. Op 5 november meldde de krant dat hij eigenhandig het bedrag van een betaling aan hemzelf had verviervoudigd nadat raadslid M. de Graas de overschrijving al had getekend. Aan klager zou een ultimatum gesteld zijn, waarbinnen hij het geld moest terugstorten. Klager zou niet bereikbaar zijn voor commentaar.
Op 10 juni 1995 berichtte De Gelderlander dat naar aanleiding van de beschuldigingen van klager aan het adres van de Stadspartij er een onderzoek van de rekeningcommissie had plaatsgevonden, waaruit geen onrechtmatigheden waren gebleken.
Klager zond op 16 september 1995 een brief aan betrokkene met het verzoek om alsnog de onjuiste berichtgeving omtrent het vermeende frauduleus handelen van klager te rectificeren en te berichten dat door de Stadspartij aan hem inmiddels een vergoeding voor zijn werkzaamheden was betaald. Op 23 september 1995 publiceerde De Gelderlander het volgende bericht: Stadspartij ziet af van aanklacht tegen ex-medewerker. De Arnhemse Stadspartij ziet af van een aanklacht wegens verduistering tegen haar ex-fractiemedewerker J. Klugkist. Klugkist gaf op een ledenvergadering vorig jaar toe dat hij de handtekening van een raadslid van zijn partij had vervalst om enkele duizenden guldens van de fractie op zijn rekening over te maken. Klugkist bereikte onlangs ook overeenstemming met de partij over een vergoeding van 3.800 gulden waarop hij nog recht meende te hebben. Het geld is inmiddels aan hem uitbetaald.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager verwijt betrokkene dat in de publikaties over de gebeurtenissen bij de Stadspartij onjuistheden zijn vermeld. Tevens zou sprake zijn van eenzijdige berichtgeving. Klager ontkent dat hij een wijziging heeft aangebracht op een giro-overschrijving. Het is juist dat hij een bedrag van ¦ 3.800,- naar zijn rekening heeft overgeboekt, maar hij heeft daarvoor een blanco, door de heer De Graas ondertekende overschrijvingskaart gebruikt. Hij heeft derhalve geen wijziging aangebracht in het bedrag of het gironummer en evenmin de handtekening vervalst. Hij heeft een hoger bedrag ingevuld dan was afgesproken. Klager geeft als verklaring voor zijn handeling het feit dat een deurwaarder met beslag dreigde op de girorekening van de Stadspartij. Daarnaast noemt hij als argument, dat de Stadspartij hem nog een vergoeding schuldig was voor zijn werkzaamheden als fractiemedewerker. De journalist heeft volgens klager eenzijdig verslag gedaan van de gebeurtenissen tijdens de bijzondere ledenvergadering op 31 oktober 1994. Over de financiële chaos bij de partij is niets geschreven. Betrokkene heeft nagelaten om klager te horen alvorens tot publikatie van de beschuldiging over te gaan. Het is niet juist dat hij geweigerd zou hebben commentaar te geven. Op een telefonische vraag van de journalist, of hij het geld al teruggestort had, heeft hij niet willen antwoorden. Op het aanbod van klager om de hele geschiedenis toe te lichten wilde de journalist niet ingaan.

Op zijn brief van 16 september 1995 heeft betrokkene gereageerd met alweer een onjuist bericht in De Gelderlander.

Volgens betrokkene heeft klager vanaf een bepaald moment geweigerd om antwoord te geven op vragen en om zijn visie op de zaak te geven. Het verwijt dat geen wederhoor is toegepast is daarom niet op zijn plaats. De publikaties zijn voor een deel verslagen van gebeurtenissen waarvan de verslaggever getuige was. Indien klager tijdens een openbare vergadering bekent dat hij heeft geknoeid met een giro-overschrijving, dan is het voorstelbaar dat hij daarvan schade ondervindt. Daar is hij echter volgens betrokkene zelf verantwoordelijk voor. Klager heeft in een later stadium betrokkene via brieven op de hoogte gehouden van zijn verwikkelingen met de stadspartij. Deze brieven boden volgens betrokkene geen nieuwe inzichten en gaven daarom geen aanleiding tot verdere publikaties.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht kan als volgt worden samengevat:
1. er zou sprake zijn van onjuiste berichtgeving, nu vermeld is, dat klager een giro-overschrijving heeft gewijzigd c.q. een handtekening heeft vervalst;
2. er zou zijn nagelaten wederhoor toe te passen.

De Raad overweegt het volgende:

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is komen vast te staan, dat klager geen handtekening heeft vervalst en evenmin veranderingen heeft aangebracht op de overschrijvingskaart. Hij beschikte over een reeds ondertekende blanco overschrijvingskaart, waarop hij zelf een bedrag en zijn eigen gironummer heeft ingevuld. Betrokkene heeft in eerste instantie bericht dat klager wijzigingen had aangebracht op de overschrijvingskaart. De Raad kan zich voorstellen dat bij betrokkene, op grond van mededelingen van klager tijdens de ledenvergadering, over de nuances van deze handeling misverstanden zijn ontstaan. Nadat klager echter in zijn brief van 16 september 1995 betrokkene op de onjuistheid van de berichtgeving heeft gewezen, heeft betrokkene opnieuw een bericht gepubliceerd, waarin sprake was van vervalsing van een handtekening door klager. Naar het oordeel van de Raad zijn daarmee de grenzen overschreden van hetgeen gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Het eerste onderdeel van de klacht acht de Raad daarom gegrond.

Ten aanzien van het tweede onderdeel van de klacht overweegt de Raad het volgende:
Klager heeft over de affaire bij de Stadspartij informatie naar de krant gestuurd, die betrokkene op zijn waarde heeft beoordeeld. Met de aanwijzingen van klager dat er op financiëel gebied vanalles mis was heeft de journalist niets gedaan. Dat stond de journalist vrij, nu geen feiten en omstandigheden zijn gebleken die zouden hebben meegebracht dat die handelwijze ten opzichte van klager onzorgvuldig zou zijn geweest.

Toen klager door de journalist naar aanleiding van de financiële malversaties
telefonisch werd benaderd weigerde hij om commentaar te geven.

Daarmee heeft hij de mogelijkheid om zijn standpunt kenbaar te maken onbenut gelaten. De Raad komt daarom tot het oordeel dat betrokkene het beginsel van hoor en wederhoor voldoende heeft toegepast en acht de klacht op dit onderdeel ongegrond.

BESLISSING:

De Raad acht de klacht gegrond, voor zover die betrekking heeft op onjuistheden in de berichtgeving en voor het overige ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in De Gelderlander te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 13 mei 1996, door mr W.D.H. Asser, voorzitter, H. van Gessel, mr E.C.M. Jurgens, W.H.K. Ammerlaan en mw. drs. M.W.M. Vos-van Gortel, leden, in tegenwoordigheid van mr I.H.J. Konings, secretaris.

RvdJ 1996, 12.