1996/11 niet-ontvankelijk

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Stafbestuur Merwedeziekenhuis en K.N.M.G. Dordrecht en Omstreken

tegen

hoofdredacteur van De Dordtenaar

In een brief van 25 januari 1996 hebben D.R. Halkema en H.F. Herfkens, respectievelijk voorzitter en secretaris van de medische staf van het Merwedeziekenhuis te Dordrecht en W. Engelenburg, voorzitter K.N.M.G. Dordrecht en Omstreken (klagers) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van De Dordtenaar (betrokkene).
Hierop is door H. Kerstiens, hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 7 februari 1996.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 15 maart 1996. Partijen, die hadden laten weten geen behoefte te hebben om hun standpunt mondeling toe te lichten, zijn op de zitting niet verschenen.

DE FEITEN

Op grond van de stukken gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Op de voorpagina van De Dordtenaar van 20 januari 1996, dat elders in de krant wordt vervolgd, is een bericht verschenen met de kop 'Ziekenhuisdirecteur weg na verhouding met patiënt'. Daarin wordt vermeld, dat de directeur behandelzaken van het Dordtse Algemeen Psychiatrisch Ziekenhuis De Grote Rivieren met onmiddellijke ingang is geschorst: Volgens de directie van het ziekenhuis zou hij een te grote emotionele band hebben gehad met een patiënt, maar is er van sexueel misbruik geen sprake. Wel is er inmiddels een ontslagprocedure in werking gezet. Oudshoorn was gisteravond niet voor commentaar bereikbaar. De Dordtse wethouder drs. G. Veldhuijzen (volksgezondheid) zegt desgevraagd geschokt te zijn. De voorzitter van de Raad van Toezicht van het APZ, D. Essink, wil niet meer kwijt dan de mededeling dat er sprake is van 'een ernstig verstoorde relatie'. "Maar wanneer twee mensen een bepaalde relatie hebben, dan zou daar erotiek bij kunnen komen. Meer wil ik er niet over zeggen", aldus Essink. Hij onderstreept dat Oudshoorn uitstekend bekend staat. Volgens Essink heeft de verhouding tussen de psychiater en patiënt anderhalf jaar geduurd. De betrokken patiënt wordt op dit moment elders behandeld. Bij dit bericht is een portretfoto van de heer Oudshoorn geplaatst. Het vervolgartikel, met de kop 'Collega's Oudshoorn ontdaan', beschrijft de reactie van de Raad van Toezicht van het APZ De Grote Rivieren en die van niet met name genoemde collega's van de psychiater op het nieuws. Daarnaast wordt enige achtergrondinformatie over de heer Oudshoorn gegeven.
In De Dordtenaar van 24 januari 1996 wordt melding gemaakt van het feit dat psychiater Oudshoorn een einde aan zijn leven heeft gemaakt.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klagers hebben bezwaar tegen het noemen van de volledige naam van de heer Oudshoorn in de berichtgeving, alsmede tegen het publiceren van zijn portret. Zij beschouwen dit als een schending van de privacy en kunnen zich voorstellen, dat deze wijze van berichtgeving op enigerlei wijze invloed heeft gehad op de beslissing van de heer Oudshoorn zichzelf het leven te benemen.

Volgens betrokkene werd de krant op de schorsing van de psychiater geattendeerd door meerdere relaties, die middels een door het bestuur van het APZ De Grote Rivieren verspreid persbericht op de hoogte waren gesteld. De aard van het nieuws maakte het, aldus betrokkene, nodig zowel de naam van het APZ als de functie van de geschorste medewerker te noemen, zulks mede ter bescherming van de privacy van directieleden van twee andere Dordtse ziekenhuizen. Omdat de heer Oudshoorn, als directeur behandelzaken van het APZ, al eerder in De Dordtenaar aan het woord was geweest en juist vanwege zijn taak binnen het psychiatrisch ziekenhuis een grote (naam)bekendheid genoot in het verschijningsgebied van de krant, vond betrokkene het 'tamelijk hypocriet' met vermelding van initialen te volstaan. Het afdrukken van de portretfoto wordt door betrokkene betreurd, omdat die geen informatie aan het geschreven nieuws toevoegde en achterwege had kunnen blijven. Een verklaring van die strekking heeft betrokkene in De Dordtenaar van 26 januari 1996, als redactioneel naschrift gepubliceerd bij enkele ingezonden brieven over de zaak.

BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID VAN KLAGERS EN VAN DE KLACHT

De Raad zal in deze zaak eerst moeten onderzoeken of klagers in hun klacht kunnen worden ontvangen. De Raad heeft tot taak om op verzoek van rechtstreeks belanghebbenden journalistieke gedragingen te beoordelen.

Naar het oordeel van de Raad zijn klagers geen rechtstreeks belanghebbenden. Zij worden door de journalistieke gedraging niet rechtstreeks in hun belangen getroffen. Het gaat hier om een mogelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de heer Oudshoorn, die inmiddels is overleden.

Niettemin is de kwestie die de klacht aanroert van voldoende belang om daarover een oordeel te geven. Kort samengevat wordt geklaagd over
1. het noemen van de volledige naam van de psychiater
2. het plaatsen van een portretfoto bij het bericht.

De Raad overweegt hierover het volgende:

In beginsel dient een nieuwsbericht zoveel mogelijk gegevens te bevatten, opdat de lezer zich een waarheidsgetrouw en controleerbaar beeld van het nieuwsfeit kan vormen. Nieuwsfoto's kunnen daaraan bijdragen.
Volledigheid op het punt van de identiteit kan bovendien voorkomen, dat verwarring met anderen optreedt als gevolg waarvan bij derden nodeloze ongerustheid kan ontstaan. Daar tegenover staat de plicht van de journalist om, zodra de persoon of zijn familieleden door het bericht herkenbaar of identificeerbaar dreigen te worden, zich af te vragen of er gevaar bestaat voor benadeling of kwetsing van deze personen. Het belang van genoemde personen dient te prevaleren en hun herkenbaarheid te worden vermeden in al die gevallen waarin redelijkerwijze te voorzien is dat die personen onevenredig nadeel van herkenbaarheid zullen ondervinden. De Raad heeft zich reeds eerder in die zin uitgesproken in de zaak Burgdorffer/AD, Volkskrant, Nieuwsblad van het Noorden, Veronica en EO, beslissing van 8 november 1988, gepubliceerd in De Journalist 1989, nummer 3.

Het APZ De Grote Rivieren heeft door middel van een brief aan haar 'relaties', waarin de psychiater met naam en toenaam werd genoemd, in brede kring bekendheid gegeven aan de kwestie. De bekendmaking van de identiteit van de psychiater was daarmee al een voldongen feit. Het was dan ook niet aannemelijk, dat de heer Oudshoorn c.q. zijn familieleden door de publikatie van zijn naam in de krant onevenredig nadeel zouden ondervinden, zodat de krant bij afweging van de betrokken belangen tot het besluit kon komen de volledige naam te vermelden. De eerste klacht faalt daarom.

De gepubliceerde foto van de heer Oudshoorn is voor een geheel ander doel en zonder enig verband met de feiten waarover bericht wordt, gemaakt. De foto toont derhalve geen nieuwsfeit en is in zoverre geen noodzakelijk onderdeel van de berichtgeving. De Raad kan niet beoordelen of de heer Oudshoorn in het verspreidingsgebied van De Dordtenaar een publieke c.q. bekende persoonlijkheid was. Indien dat wel het geval was, dan zou hij door publikatie van het portret naar het oordeel van de Raad geen onevenredig nadeel ondervinden. In het geval dat de heer Oudshoorn geen publieke persoonlijkheid was, voegt de foto een ander aspect toe aan diens herkenbaarheid. In dat geval had publikatie, naar het oordeel van de Raad achterwege moeten blijven, omdat de heer Oudshoorn en zijn familieleden daardoor onevenredig nadeel zouden ondervinden.

De veronderstelling van klagers, dat de wijze van berichtgeving op enigerlei wijze invloed heeft gehad op de beslissing van de heer Oudshoorn zichzelf het leven te benemen, moet voor rekening van klagers blijven.

BESLISSING:

De Raad verklaart klagers niet ontvankelijk in hun klacht.

Aldus vastgesteld door de Raad op 15 maart 1996 door mr W.D.H. Asser, voorzitter, H. van Gessel, mr E.C.M. Jurgens, J.M.P.J. Verstegen en mw. drs. M.W.M. Vos-van Gortel, leden, in tegenwoordigheid van mr I.H.J. Konings, secretaris.

RvdJ 1996, 11.