1996/10 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

M.H. Essaïdi, Essaïdi Aqua Tilis Therapie Nederland B.V., Essaïdi Technologies B.V., Essaïdi Holding B.V., Stichting No Time en G.N.B. van Leeuwen

tegen

de hoofdredacteur van Vrij Nederland
en
Ingrid Harms

In een brief van 28 juli 1995 met 4 bijlagen heeft mr C. Záborszky-van Boxtel, advocaat namens
1. M.H. Essaïdi,
2. Essaïdi Aqua Tilis Therapie Nederland B.V.,
3. Essaïdi Technologies B.V.,
4. Essaïdi Holding B.V.,
5. Stichting No Time en
6. G.N.B. van Leeuwen
(klagers)
een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Vrij Nederland en de journaliste Ingrid Harms (betrokkenen).
Betrokkenen hebben niet schriftelijk gereageerd op de klacht.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 15 maart 1996. Namens klagers verscheen mr R.P.J. Ribbert, advocaat. De heer J. van Tijn, hoofdredacteur van Vrij Nederland, en mevrouw I. Harms verschenen in persoon.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

In het weekblad Vrij Nederland verscheen op 1 april 1995 een artikel onder de kop 'Doodzieke aidspatiënten betalen véél voor (vergeefse) hoop'. De inleiding luidt als volgt:
In Eindhoven gloort hoop voor wanhopige en ten dode opgeschreven aidspatiënten. Die indruk krijgen ze uit de folders van de Essaïdi Aids Onderzoek Kliniek. Directeur Michel Essaïdi schermt met wetenschappelijke namen en met geld van bekende instellingen. Nu blijkt dat dit gebeurt zonder dat iedereen daar direct toestemming voor heeft gegeven. Sommige patiënten worden niet beter, integendeel, het gaat juist slechter met ze. Maar de verantwoording daarvoor wordt door Essaïdi van de hand gewezen. De subkop op de volgende pagina is een citaat: 'We zijn gewoon bedrogen. De T4-cellen gingen niet omhoog, niets werd beter'.
Dit citaat is afkomstig van de heer D. Stanislawski, partner van aidspatiënt R. Yongue, die in het artikel aan het woord gelaten wordt over zijn ervaringen en die van zijn inmiddels overleden partner met de Aqua Tilis Therapie in de Essaïdi Aids Onderzoek Kliniek. De journalist gaat uitgebreid in op de mate van betrokkenheid van bekende personen en instellingen bij de therapie en brengt de structuur van de verschillende vennootschappen die aan de kliniek gelieerd zijn in kaart. Ook de kosten van een behandeling in de kliniek komen aan de orde. Namens de Stichting No Time, die zich beijvert om nieuwe medicijnen en therapieën voor aidspatiënten snel beschikbaar te krijgen, komt bestuurslid G. van Leeuwen aan het woord. Uit zijn overwegend positieve verhaal over de therapie blijkt dat ook hij met het HIV-virus besmet is. De Stichting No Time ondersteunt enkele deelnemers aan de therapie financieel en het bestuur concentreert zich, aldus de tekst van het artikel, 'op het bewerken van het Aids Fonds, dat tot nu toe geen cent voor de Aqua Tilis Therapie beschikbaar stelde'. Tenslotte gaat het artikel nader in op de achtergrond en plaatst vraagtekens bij de opleidingen van de heer Essaïdi.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Volgens klagers bevat het artikel onjuiste, althans niet op voldoende juistheid gecontroleerde feiten. Ten onrechte komt naar voren dat de inmiddels overleden patiënt Yongue beterschap zou zijn beloofd. Bij aanvang van de therapie zou hij uitdrukkelijk zijn gewezen op het feit, dat de therapie wel eens niet het beoogde resultaat zou kunnen hebben. De genoemde bedragen voor de behandelingen van de heer Yongue zouden niet kloppen. Ook heeft het bestuur van de Stichting No Time het Aids Fonds nooit verzocht om een financiële bijdrage. Ten bewijze hiervan is ter zitting een verklaring overgelegd van een bestuurslid van de Stichting No Time. Dit bestuurslid was aanwezig bij het interview ten behoeve van het artikel in Vrij Nederland. Zij verklaart tevens dat met de journalist de afspraak is gemaakt, dat het gedeelte van het artikel dat het interview met de heer Van Leeuwen weergeeft voorafgaand aan publikatie aan hem ter inzage zou worden gegeven. Deze afspraak is volgens klagers niet nagekomen. Ook zou in strijd met de wens van de heer van Leeuwen zijn vermeld dat deze aan de ziekte aids lijdt. Hij had dit nog niet bekend gemaakt, zodat hem hierdoor schade is berokkend.
Klagers zijn van mening dat het artikel onnodig tendentieus, althans negatief is jegens hen. De kop van het artikel wekt de suggestie dat doodzieke patiënten moeten betalen voor een behandeling waarvan geen heil te verwachten valt. Dit is volgens klagers onjuist: er is aangetoond dat door de behandeling de zogenaamde 'quality of life' van de aidspatiënten verbetert. Enkele wetenschappers hebben zich in positieve zin uitgelaten over de therapie en het Centraal Laboratorium van de Bloedtransfusiedienst van het Nederlandse Rode Kruis (CLB) zou medewerking hebben toegezegd. Ook door de subkop worden klagers reeds bij voorbaat veroordeeld en wordt de indruk gewekt dat hier sprake is van moedwillig bedrog.
In de inleiding van het artikel wordt met de zinsnede : "integendeel: het gaat juist slechter met hen", geheel ten onrechte de indruk gewekt, dat de toestand van patiënten zou verslechteren ten gevolge van de therapie. Als hun toestand verslechtert is dat het gevolg van de ziekte aids. Van de therapie is tot op heden geen enkele negatieve bijwerking geconstateerd. Ook wordt de suggestie gewekt, dat het de heer Essaïdi, althans diens vennootschappen, louter te doen zou zijn om financieel gewin.
Ter illustratie wordt het citaat "Essaïdi's experimentele Aidstherapie, waaraan de patiënt zelf fors meebetaalt, doet om meerdere redenen eerder denken aan een zakelijke onderneming dan aan een wetenschappelijk onderzoek van een bevlogene" aangehaald. De suggestie, dat de heer Essaïdi in weerwil van afspraken zou schermen met namen is volgens klagers onjuist. Ten onrechte wordt volgens klagers de indruk gewekt dat de heer Essaïdi niet over de door hem behaalde diploma's en ervaring zou beschikken. Desgevraagd heeft de gemachtigde van klagers ter zitting laten weten niet over gegevens te beschikken met betrekking tot de vooropleidingen van de heer Essaïdi.
De toon van het artikel is volgens klagers de aanleiding geweest voor de TROS om door middel van verborgen cameratechnieken opnamen te maken in de kliniek. Een poging van klagers om uitzending te laten verbieden slaagde niet. De President van de Rechtbank liet daarbij meewegen, dat klagers niet hadden opgetreden tegen het artikel in Vrij Nederland en ook geen weerwoord hebben ingezonden. Volgens klagers is in eerste instantie niet gereageerd op het artikel in Vrij Nederland, omdat men niet teveel publiciteit wilde. Na het Kort Geding tegen de TROS is alsnog besloten tot het indienen van een klacht.

Betrokkenen zijn van mening dat alle partijen voldoende aan het woord zijn geweest in het artikel. Zij ontkennen met het artikel onjuiste informatie te hebben verstrekt. De heer Van Tijn wijst erop dat mevrouw Harms veel heeft geschreven over Aids en dat zij een reputatie op dit gebied heeft. Mevrouw Harms heeft uit meerdere bronnen vernomen dat de heer Essaïdi in intakegesprekken aan de patiënten beterschap beloofde. Deze informatie werd door het verhaal van de heer Stanislawski, partner van een patiënt, bevestigd. Ook de in het artikel genoemde bedragen zijn volgens betrokkenen juist. In het artikel is vermeld wat de behandelingen in de kliniek kosten, niet welk bedrag voor de behandeling van de heer Yongue in rekening is gebracht.
Mevrouw Harms ontkent een afspraak te hebben gemaakt over inzage voorafgaand aan publikatie. Ook het bestaan van een afspraak over verzwijging van de ziekte van de heer Van Leeuwen wordt door haar ontkend. De heer Van Leeuwen heeft er tijdens het interview geen enkel geheim van gemaakt, dat hij aan aids lijdt. Hij was zichtbaar ziek. Er is door hem niet gezegd dat daarover niets gepubliceerd mocht worden. Er is door mevrouw Harms ook niet expliciet naar gevraagd, omdat de heer Van Leeuwen heel openhartig was over de baat die hij bij de therapie had. Ook in de Gay-Krant en op Internet treedt de heer Van Leeuwen hiermee naar buiten. Het was voor haar heel vanzelfsprekend dat deze informatie gebruikt mocht worden.
Betrokkenen zijn tenslotte van mening dat het artikel kritisch is, maar niet tendentieus. De informatie met betrekking tot de vooropleidingen van de heer Essaïdi is feitelijk juist. Ook de informatie over de relatie met het CLB klopt: op het moment dat het artikel verscheen was betrokkenen niets bekend van een overeenkomst tussen Essaïdi en het CLB. Daar is in het gesprek ook niets over gezegd. Tenslotte wordt er door betrokkenen op gewezen dat klagers niet door middel van een ingezonden brief of anderszins hun bezwaren tegen het artikel aan betrokkenen kenbaar gemaakt hebben.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klachten worden als volgt samengevat:
1. de vermelding van onjuistheden;
2. de schending van gemaakte afspraken, in het bijzonder
a. een afspraak met betrekking tot inzage vooraf en
b. een afspraak met betrekking tot niet vermelding van de ziekte van de heer Van Leeuwen;
3. het tendentieus en grievend karakter van het artikel.

De Raad overweegt daarover het volgende.

Ten aanzien van de eerste klacht moet gelden dat betrokkenen gemotiveerd hebben betwist dat sprake is van feitelijke onjuistheden. Het is de Raad opgevallen, dat klagers niet aan Vrij Nederland om rectificatie van de door hen geconstateerde onjuistheden hebben verzocht, of door middel van een ingezonden brief de lezers daarop hebben gewezen. De Raad kan op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting niet vaststellen of er sprake is van onjuistheden in het artikel.

Met betrekking tot de tweede klacht kan de Raad evenmin vaststellen of er voorafgaand aan het interview met de heer Van Leeuwen afspraken zijn gemaakt. Volgens klagers is dat het geval, doch betrokkenen ontkennen dat.
Ook bij afwezigheid van afspraken over al dan niet vermelding van de ziekte waaraan een geïnterviewde lijdt, dient een journalist een zorgvuldige belangenafweging te maken alvorens tot publikatie over te gaan. In dit geval heeft de journalist uit eerdere publikaties van en over de heer Van Leeuwen en uit de wijze waarop hij over zijn ziekte sprak kunnen opmaken dat het om een feit van algemene bekendheid ging en derhalve niet onzorgvuldig gehandeld.

Aangaande de derde klacht overweegt de Raad dat het onderhavige artikel, kop en subkop weliswaar kritisch en waarschuwend van toon zijn, maar niet onnodig grievend en tendentieus, zodat betrokkenen daarmee niet onzorgvuldig hebben gehandeld.

De Raad komt tot het oordeel dat de klacht op alle onderdelen ongegrond is.

BESLISSING:

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen deze beslissing integraal of in samenvatting in Vrij Nederland te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 15 maart 1996, door mr W.D.H. Asser, voorzitter, H. van Gessel, mr E.C.M. Jurgens, W.H.K. Ammerlaan en mw. drs. M.W.M. Vos-van Gortel, leden, in tegenwoordigheid van mr I.H.J. Konings, secretaris.

RvdJ 1996, 10.