1995/9 gegrond

X tegen de hoofdredacteur van de Volkskrant

In een klaagschrift van 14 oktober 1994 met tien bijlagen heeft X (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van de Volkskrant (betrokkene). In een brief van 10 februari 1995 met 14 bijlagen heeft Bert Vuijsje, waarnemend hoofdredacteur van de Volkskrant, op de klacht gereageerd. In een brief van 23 februari 1995 met één bijlage heeft deze een nadere reactie gegeven. Klager heeft hierop nog 21 stukken aan de Raad toegezonden.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 20 maart 1995. Klager was in persoon aanwezig en heeft zijn standpunt toegelicht onder het overleggen van een pleitnota. Betrokkene had laten weten niet te zullen verschijnen om zijn standpunt mondeling toe te lichten.

De feiten

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.

In de Volkskrant van 27 juli 1994 is onder de kop "Ontkennen van seksueel geweld werkt averechts" een door klager geschreven stuk gepubliceerd. In dit stuk verdedigt klager de stelling dat de ontkenning van verdachten van seksueel misbruik gezien moet worden in het licht van de mogelijkheid dat deze verdachten zich oprecht niets van hun daden herinneren. Het stuk is geschreven naar aanleiding van de Eper incestzaken en draagt als ondertekening: "X werkt met mensen met een meervoudige persoonlijkheidsstoornis".
Het stuk van klager werd door hemzelf in andere vorm dan de uiteindelijk geplaatste aan de Volkskrant aangeboden. Over de definitieve vorm en omvang heeft nader overleg tussen klager en de Volkskrant plaats gevonden.

In de Volkskrant van 29 juli 1994 is vervolgens in de vaste rubriek voor ingezonden brieven ("Geachte Redactie") onder de kop "Seksueel geweld" een brief gepubliceerd van prof dr H.F.M. Crombag van de Rijksuniversiteit Limburg. Deze brief luidt onder meer als volgt.
"In een bijdrage aan Forum van 27 juli legt X, die 'werkt(?) met mensen met een meervoudige persoonlijkheidsstoornis', uit dat mensen die ervan worden verdacht zich schuldig te hebben gemaakt aan ernstige misdrijven zoals bijvoorbeeld seksueel geweld tegen anderen, oprecht kunnen zijn wanneer zij hun schuld ontkennen omdat zij het begaan van die misdrijven uit hun geheugen gebannen hebben. Volgt een met imposant jargon doorspekte en met grote stelligheid geformuleerde uiteenzetting over hoe het menselijke brein in het algemeen en het geheugen in het bijzonder werken. De Forum-redactie heeft X' bijdrage ongetwijfeld opgenomen omdat zij de erin vervatte informatie leerzaam oordeelde voor de lezers van de Volkskrant. Welnu, met het oog op een juiste voorlichting van het publiek dient het een doel als ik u erop attent maak dat de uiteenzetting van X geheel aan zijn duim ontsproten is. Voor niets van wat hij beweert bestaat solide wetenschappelijke evidentie."

In de ingezonden brieven-rubriek van de krant van 6 augustus 1994 is tenslotte onder de kop "X" de volgende brief gepubliceerd.

"Tot mijn grote woede en schrik las ik in Forum van 27 juli een stuk van X over daders van seksueel misbruik. Over de inhoud van dit stuk wil ik het verder niet hebben, dat werd in Geachte Redactie van 29 juli al afdoende neergesabeld door prof. Crombag. Zelf heb ik persoonlijk ervaring met X als dader van seksueel geweld. Hij heeft mij ook bedreigd en achtervolgd. Met de grootste moeite, onder andere met behulp van een uitspraak van de rechter, heb ik kunnen regelen dat ik niets meer met hem te maken hoef te hebben. Inmiddels weet ik dat ik niet het enige slachtoffer ben. Als vrouwen hulp zoeken vanwege seksueel geweld of omdat ze last hebben van een meervoudige persoonlijkheidsstoornis (MPS), adviseer ik hen zich te wenden tot een vrouwelijke therapeut of de betrouwbaarheid van een mannelijke therapeut te controleren, bijvoorbeeld via de Rutgers Stichting of de Telefonische Opvang Seksueel Geweld."
De brief is niet voorzien van de naam van de inzender. Onder de brief staat vermeld "Naam en adres bij de redactie bekend".
De standpunten van partijen

De bezwaren van klager tegen het journalistiek handelen van betrokkene zijn de volgende.

1. Betrokkene had de anoniem gehouden brief uit de krant van 6 augustus 1994 niet mogen publiceren zonder wederhoor toe te passen met betrekking tot de juistheid van het in die brief gestelde.
Volgens die brief zou klager dader zijn van seksueel geweld jegens de schrijfster en andere vrouwen.
Volgens klager is dit onwaar.

In het naar aanleiding van het publiceren van deze brief door hem tegen betrokkene gevoerde kort geding heeft betrokkene een aantal rechterlijke uitspraken overgelegd met betrekking tot door derden tegen klager gevoerde procedures. Klager wijst er op dat geen van die uitspraken betrekking hebben op door klager gepleegd seksueel geweld. Klager voelt zich door de gepubliceerde brief aangetast in zijn eer en goede naam.

2. Klagers tweede bezwaar is dat betrokkene geweigerd heeft hem bekend te maken van wie de brief afkomstig is. Volgens klager heeft hij belang bij bekendmaking omdat hij zich alleen dan kan verweren tegen de lasterlijke aantijging van het plegen van seksueel geweld.

Betrokkene heeft voor zijn standpunt verwezen naar zijn stellingen en stukken in het door klager tegen hem aangespannen kort geding voor de President van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam. Bij vonnis van 23 februari 1995 heeft de President de vordering van klager tot het bekendmaken van de naam van de persoon van wie de anonieme brief afkomstig is afgewezen, alsmede de vordering tot het betalen van een voorschot op de door klager gestelde, door hem geleden schade. Betrokkene is van oordeel dat hij de betrachte anonimiteit niet mag opheffen wegens het gevaar van schadelijke gevolgen voor de bron. In dat verband heeft betrokkene gewezen op twee tegen klager gevoerde procedures door zijn vroegere vriendin Y en haar advocaat mr Z. te Amsterdam.

In beide zaken werd klager door de President van de Rechtbank te Amsterdam bij vonnis van respectievelijk 28 februari 1991 en 9 juli 1992 veroordeeld in de vorm van onder andere een straat- en telefoonverbod alsmede tot een verbod tot het doen van mededelingen over de beide eiseressen aan derden schriftelijk, mondeling of via het inschakelen van derden. Deze veroordelingen werden gegeven wegens het in vergaande mate lastig vallen door klager van de beide eiseressen rond hun huizen, het doorzoeken van het vuilnis van eiseres Z, het doen van belastende mededelingen over de eiseressen aan derden, en in het geval van eiseres Z wegens de naar buiten gebrachte mededeling dat Z zich schuldig zou maken aan seksueel misbruik van haar kinderen en dat zij lid zou zijn van een satanische sekte, in de ban waarvan ook eiseres Y zich zou bevinden. Die stelling baseerde klager op een uit het vuilnis van Z gehaalde tekening van een van haar kinderen.

Voor wat betreft de publikatie van de brief heeft betrokkene gesteld, dat deze noodzakelijk geacht werd om het publiek te waarschuwen tegen klager als vervolg op het eerder in de Volkskrant gepubliceerde stuk van klager. Pas nà die publikatie kwam de redactie tot het inzicht dat er voor klager gewaarschuwd diende te worden. Dit bleek de krant niet alleen uit de reactie van professor Crombag, maar ook uit ontvangen knipsels uit Trouw en Het Parool met verslagen over de behandeling van het kort geding van mr Z tegen klager en tenslotte uit drie waarschuwende brieven, waarvan er één werd gepubliceerd. Alvorens tot die publikatie over te gaan heeft de redactie van een derde, die bekend was met de bron van de brief, de geloofwaardigheid van deze bron bevestigd gekregen.

Beoordeling van de klacht

Klagers bezwaar dat betrokkene geweigerd heeft de bron van de anoniem gepubliceerde brief bekend te maken acht de Raad ongegrond. Uit de door betrokkene overgelegde rechterlijke uitspraken met betrekking tot de door klagers vroegere vriendin Y en haar advocaat Z tegen hem gevoerde procedures blijkt, dat klager dezen in vergaande mate heeft lastiggevallen. Betrokkene heeft dan ook terecht rekening gehouden met het gevaar, dat het bekendmaken van de identiteit van de bron zou kunnen leiden tot negatieve repercussies voor die bron met een onrechtmatig karakter, ook al zou er voor klager een gerechtvaardigd belang kunnen bestaan de bron aan te spreken op de beschuldiging van het plegen van seksueel geweld.

Naar het oordeel van de Raad gaat het hierbij om een zeer zware en ernstige beschuldiging. Voor de beantwoording van de vraag of betrokkene deze beschuldiging heeft mogen publiceren zonder klager te horen of nader onderzoek te dezen, overweegt de Raad het volgende.

Door het publiceren van het door klager aangeboden stuk over het herinneringsvermogen van daders van seksueel geweld op de Forum-pagina van de Volkskrant is betrokkene tegenover het publiek gepresenteerd als deskundige op het gebied van meervoudige persoonlijkheidsstoornissen. De na de publikatie ingekomen reactie van prof dr H.F.M. Crombag, de krantenverslagen van de tegen klager gevoerde kort gedingen en de drie ingekomen brieven, waaronder de gepubliceerde, waren voor betrokkene terecht reden het tegenover het publiek opgeroepen beeld van klager te corrigeren en noopten tot een waarschuwing tegen klager. Dit alles rechtvaardigde echter naar de mening van de Raad nog niet dat de krant als middel daartoe zonder verder onderzoek dan het horen van een derde aangaande de geloofwaardigheid van de bron, de brief van die bron met de beschuldiging van seksueel geweld zonder verdere toelichting of commentaar publiceerde. Daargelaten de vraag of die publikatie uit journalistiek oogpunt het voor het beoogde doel juiste middel was, had betrokkene naar het oordeel van de Raad ofwel klager zelf hierover eerst moeten horen, ofwel anderszins een nader onderzoek moeten doen. Dit geldt te meer nu betrokkene door de betrachte anonimiteit de inhoud van de brief voor eigen rekening heeft genomen.

De Raad overweegt hierbij dat de door betrokkene later verzamelde rechterlijke uitspraken geen van alle betrekking hebben op gepleegd seksueel geweld door klager en daarvoor ook geen bewijs opleveren. Dat geldt niet alleen met betrekking tot de rechterlijke uitspraken in de zaken Y en Z, maar ook in die met betrekking tot het door klager aangespannen kort geding tegen de Vereniging tegen Seksuele kindermishandeling (VSK) en de door klager bij het tuchtcollege voor advocaten ingediende klacht tegen mr A. Legeland te Amsterdam. In deze twee laatste zaken ging het om schending van de verplichting tot geheimhouding jegens klager door de VSK en door genoemde advocaat. Blijkens de uitspraken in deze zaken werd klager in dat opzicht in beide gevallen in het gelijk gesteld.

Al deze stukken bevestigen dat klager zeer ver kan gaan in het lastig vallen van hem onwelgevallige derden en in het voeren van procedures. Zij leveren echter onvoldoende aanknopingspunten op voor de juistheid van de stelling, dat klager de dader is van seksueel geweld.

Op het moment van de publikatie van de anoniem gehouden brief beschikte betrokkene bovendien nog niet over deze stukken, maar alleen over twee andere brieven, in anonieme en niet originele vorm aan de Raad overgelegd. Een van die brieven bestaat uit kritische vragen ten aanzien van klager en levert dus geen steun op voor de stelling dat hij de dader is van seksueel geweld. In de andere brief wordt op dringende en ernstige toon gewaarschuwd tegen klager als hulpverlener. Voor het overige bevat deze brief de zinsnede "X is zelf dader". In hoeverre het hier gaat om een zelfstandige beschuldiging dan wel een ondersteuning van de gepubliceerde brief, is hieruit niet af te leiden en door betrokkene niet nader geadstrueerd.

Op grond van al het bovenstaande is de Raad daarom van oordeel dat betrokkene de aangevallen anoniem gehouden brief niet had mogen publiceren zonder wederhoor bij klager of nader onderzoek.

Beslissing

De Raad acht de klacht gegrond met betrekking tot onderdeel twee.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in De Volkskrant te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 22 mei 1995 door mr P.J. Boukema, voorzitter, mr B.A. Schmitz, drs K.J. van der Zande, mr D.T. Dalmolen en W.H.K. Ammerlaan, leden, in tegenwoordigheid van mr A.C.M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1995, 9.