1995/8 ongegrond

mr P. Riedstra, mr P. Tuinman en mr W. Sleijfer tegen W. Pennewaard, R. Mulder en H. Speerstra

Op 28 oktober 1994 hebben mr P. Riedstra, mr P. Tuinman en mr W. Sleijfer te Leeuwarden, hierna te noemen Riedstra cs. (klagers) in een klaagschrift met zes bijlagen een klacht ingediend tegen W. Pennewaard, R. Mulder en H. Speerstra (betrokkenen). In een brief van 8 december 1994 met twee bijlagen hebben R. Mulders, hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant en W. Pennewaard op de klacht gereageerd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 30 januari 1995. Namens klagers waren aanwezig mr P. Riedstra en mr P. Tuinman. Namens betrokkenen waren aanwezig R. Mulder en W. Pennewaard. Beide partijen hebben hun standpunt mondeling toegelicht, klagers onder het overleggen van schriftelijke aantekeningen met vijf bijlagen en nog enige andere stukken. Ook betrokkenen legden stukken over.

De stukken zijn nog aangevuld door een brief van W. Pennewaard van 1 februari 1995 met drie bijlagen en het antwoord daarop van klager van 14 februari 1995 met twee bijlagen.

De feiten

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.

Klagers hebben een advocatenmaatschap in Leeuwarden. Naast de advocatuur houden klagers zich bezig met deelneming in of promotie van zakelijke projecten. Klager Riedstra is zakelijk betrokken geweest bij de failliet gegane deurenfabriek Halbertsma, welk faillissement veel publiciteit heeft gehad.

Klagers zijn samen zakelijk betrokken bij Ameland State, een appartementen-complex te Ameland. Om de bouw van dit complex te kunnen laten doorgaan sloten klagers een koop/aannemingsovereenkomst met betrekking tot tien appartementen. Binnen de Vereniging van Eigenaren van Ameland State is na het gereedkomen van de bouw een geschil ontstaan over het recht om de appartementen voor commerciële doeleinden te verhuren. Met het oog op het behalen van een btw-voordeel waren hierover afspraken gemaakt met de fiscus waarvan de appartementseigenaren Mink niet op de hoogte waren.

Binnen de VVE vertegenwoordigt mr Riedstra het meerderheids-standpunt dat leidt tot een door het echtpaar Mink bij de kantonrechter tevergeefs aangevochten wijziging van het reglement. Dit heeft tot gevolg dat het echtpaar Mink het appartement niet zelfstandig kan verhuren, zodat zij het beoogde rendement van hun investering niet zullen kunnen behalen. Dit leidt tot een klacht van het echtpaar Mink tegen klagers bij de Deken van de Orde van Advocaten te Leeuwarden.

In de Leeuwarder Courant van 10 februari 1994 is op de voorpagina onder de kop "Onderzoek naar drie advocaten" met daaronder in kleinere letters "Na klacht Amelanders" een nieuwsbericht gewijd aan het onderzoek van de Deken. Dit bericht opent met de volgende passages.

"De Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Leeuwarden, Jasper de Goede, is een onderzoek begonnen naar de zakelijke activiteiten van het Leeuwarder advocatenkantoor Riedstra Tuinman en Sleijfer. De directe aanleiding tot het onderzoek vormt de betrokkenheid van de advocaten Pier Riedstra, Pieter Tuinman en Wim Sleijfer bij het debâcle van de deurenfabriek Halbertsma in Grou. Het onderzoek richt zich echter ook op andere commerciële nevenactiveiten, zoals hun aanzienlijke financiële belangen in de op stapel staande zoutfabriek Frima in Harlingen.
Inmiddels is door een Amelander echtpaar bij de Deken een klacht ingediend naar aanleiding van de betrokkenheid van de advocaten bij het appartementencomplex Ameland State. De advocaten worden beticht van 'manipulaties, verdachtmakingen, aanzetten tot oneigenlijk gebruik van belastingwetten en misbruik van hun juridische kennis, met als doel zichzelf te verrijken ten koste van anderen'. De Goede heeft deze klacht voor behandeling in eerste aanleg doorgegeven aan de waarnemend Deken, omdat een kantoorgenoot van De Goede als raadsman van het Amelander echtpaar optreedt. Hij baseert zijn eigen onderzoek op artikel 46 van de Advocatenwet, waarin bepaald gedrag van advocaten is onderworpen aan tuchtrechtspraak."

In dezelfde krant is onder de kop "Een Leeuwarder advocatenkantoor in drukke zaken" een paginagroot achtergrondartikel verschenen over de zakelijke activiteiten van klagers en het conflict tussen het echtpaar Mink en de overige eigenaren van de appartementen van het complex Ameland State, waaronder klagers.

De standpunten van partijen

De bezwaren van klagers zijn drieledig.
1. Volgens klagers is de klacht van het echtpaar Mink opgesteld door betrokkene Pennewaard, naar klagers pas is gebleken na het verschijnen van de publikaties van 10 februari 1994. Aan deze door hem zelf opgestelde klacht heeft betrokkene Pennewaard vervolgens zijn artikelen opgehangen. De in het overleg over de tekst van die artikelen gemaakte afspraak de activiteiten van klagers daarvan los te maken en in een breder kader te plaatsen heeft betrokkene Pennewaard naar het oordeel van klagers geschonden en ook heeft hij in het overleg niet gerept over zijn rol bij het tot stand komen van de klacht van het echtpaar Mink. Klagers veroordelen deze werkwijze.
2. Klagers achten de berichtgeving onjuist, tendentieus en grievend omdat de suggestie wordt gewekt dat er sprake zou zijn van een strafrechtelijk onderzoek naar hun financiële handel en wandel. Het onderzoek van de Deken richt zich echter uitsluitend op de vraag of er voldoende scheiding bestaat tussen de zakelijke activiteiten en de door klagers bedreven advocatuur.
3. Betrokkenen hebben klagers niet de gelegenheid geboden tot het voeren van een kort geding over de voorgenomen publikaties. Daar er volgens klagers geen noodzaak was reeds op 10 februari 1994 tot de publikaties over te gaan achten klagers ook deze handelwijze onjuist.

Betrokkenen hebben geantwoord dat de klacht van het echtpaar Mink, zoals deze bij de Deken te Leeuwarden is ingediend typografisch gezien afkomstig is van betrokkene Pennewaard. In verband met de conflicten rond Ameland State nam dit echtpaar met hem contact op. Zij toonden hem tijdens de gevoerde gesprekken de in klad opgestelde klacht bij de Deken te Leeuwarden tegen klagers. Zij stelden een ringband met dit klad aan betrokkene Pennewaard desgevraagd ter beschikking voor zijn artikel. Ter voorbereiding daarvan heeft betrokkene Pennewaard de tekst van de klacht in zijn tekstverwerker overgenomen onder verbetering van spel- en taalfouten, omdat hij aanvankelijk de bedoeling had de klacht in het artikel over te nemen. Bij het teruggeven van de ringband heeft hij de geprinte tekst ter beschikking gesteld van het echtpaar Mink. Vervolgens werd van die print gebruik gemaakt voor de indiening van de klacht bij de Deken.

Volgens betrokkene Pennewaard is de klacht inhoudelijk geheel afkomstig van het echtpaar Mink en heeft hij inhoudelijk bij het opstellen dus geen enkele rol gespeeld. De suggestie van klagers dat hij de klacht geïnspireerd zou hebben om vervolgens negatief over klagers te kunnen schrijven wijst hij van de hand. Volgens Pennewaard heeft hij zich daarentegen wel gehouden aan de afspraak met klagers de oorspronkelijke publikatie in een breder kader te plaatsen.

Betrokkenen zijn van oordeel dat de kop boven het nieuwsartikel op de voorpagina niet de suggestie wekt van een strafrechtelijk onderzoek. Uit de tekst van het nieuwsbericht blijkt duidelijk dat het om een onderzoek door de Deken gaat. De Deken heeft aan de krant bevestigd dat het onderzoek zich wel degelijk ook richtte op de zakelijke activiteiten van klagers, waaronder die met betrekking tot de Halbertsma deurenfabriek.

Wat betreft het kort geding, het is wel juist dat klagers in het overleg over de tekst van de publikaties de mogelijkheid van rechterlijke toetsing hebben genoemd. Dat de klagers de ochtend voor de publikatie daadwerkelijk de bedoeling hadden alsnog een kort geding over de eind-versie in te stellen is voor betrokkenen niet duidelijk geweest.

Nadere informatie

Betrokkene Pennewaard heeft na de behandeling van 30 januari op 1 februari 1995 per post aan de Raad toegezonden een kopie van een handgeschreven klad van de klacht van het echtpaar Mink, alsmede een kopie van de geprinte versie met een verklaring van mevrouw J. Mink-van der Wijk van 31 januari 1995, dat de klacht door haar is opgesteld en niet door betrokkene Pennewaard.

Betrokkenen hebben in hun schriftelijke reactie van 14 februari 1995 gehandhaafd dat de klacht wel door betrokkene Pennewaard opgesteld moet zijn. Zij wijzen er onder meer op dat ook in de door Pennewaard zelf geschetste gang van zaken er voor hem geen reden was het klad van het echtpaar Mink te voorzien van een kop, een datum en een ondertekening met een adres.

Beoordeling van de klacht

Het gaat in deze zaak in de eerste plaats om de vraag of betrokkene Pennewaard verantwoordelijk moet worden gehouden voor de inhoud van de door het echtpaar Mink tegen klagers bij de Deken te Leeuwarden ingediende klacht.
Tussen partijen staat vast dat het door het echtpaar Mink bij de Deken ingediende stuk afkomstig is uit de tekstverwerker van betrokkene Pennewaard. De Raad heeft niet kunnen vaststellen of Pennewaard inhoudelijk bemoeienis heeft gehad met het opstellen van de klacht. De Raad meent echter, dat de werkwijze van betrokkene Pennewaard de schijn heeft kunnen opwekken van vergaande betrokkenheid bij de klacht van het echtpaar Mink en derhalve van een gebrek aan objectiviteit met betrekking tot de rol van klagers in het conflict met het echtpaar Mink.

De Raad is van oordeel dat dit mogelijke gebrek aan objectiviteit niet ten nadele van klagers heeft doorgewerkt in de aangevallen publikaties. Anders dan klagers menen wekt de kop op de voorpagina naar het oordeel van de Raad niet de suggestie van een strafrechtelijk onderzoek. De tekst van het bericht sluit iedere twijfel daarover uit. Het gaat volgens die tekst om een onderzoek door de Deken van de Orde van Advocaten. De zakelijke activiteiten van klagers spelen in dat onderzoek een belangrijke rol.

Dat het in het onderzoek van de Deken in de eerste plaats gaat om de vraag of de activiteiten van klagers enerzijds als advocaat en anderzijds als zakelijk ondernemer wel voldoende gescheiden zijn en niet zo zeer om de zakelijke activiteiten zelf, is een nuance die naar het oordeel van de Raad in het kader van berichtgeving voor een groot lezerspubliek van ondergeschikt belang is, nog daargelaten dat niet valt uit te sluiten dat het onderzoek van de Deken zich ook inhoudelijk op de zakelijke activiteiten zou richten.

Voorzover de berichtgeving onjuistheden bevat ziet de Raad deze als schoonheidsfoutjes. Gezien het overleg dat aan de publicaties vooraf is gegaan hebben klagers op hoofdpunten ruim de gelegenheid gehad correcties aan te brengen.

De Raad heeft niet kunnen vaststellen in hoeverre er in het overleg afgesproken is dat de publikaties in een ander kader zouden worden geplaatst dan de klacht van het echtpaar Mink bij de Deken en diens onderzoek. De Raad heeft evenmin kunnen vaststellen in hoeverre betrokkenen geweigerd hebben rekening te houden met de wens van klagers over de eind-versie van de publikaties alsnog een kort geding in te stellen, nog daargelaten of betrokkenen met die wens rekening hadden moeten houden.

Op grond van al het bovenstaande is de Raad van oordeel dat betrokkenen over het geheel genomen niet de grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op hun journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

Beslissing

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen deze beslissing integraal of in samenvatting te publiceren in de Leeuwarder Courant.

Aldus vastgesteld door de Raad op 9 mei 1995 door
mr P.J. Boukema, voorzitter, W.F. de Pagter, mr E.C.M. Jurgens, mr D.T. Dalmolen en W.H.K. Ammerlaan, leden, in tegenwoordigheid van mr A.C.M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1995, 8.