1995/7 gegrond

Riet Monteyne tegen de hoofdredacteur van het Eindhovens Dagblad

Per brief van 7 juni 1994 met twee bijlagen heeft Riet Monteyne te Eindhoven (klaagster) een klacht ingediend tegen J.M. van der Hart, hoofdredacteur van het Eindhovens Dagblad (betrokkene). Deze heeft op de klacht geantwoord in een brief van 1 juli 1994.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 14 oktober 1994. Klaagster was in persoon aanwezig. Betrokkene had laten weten niet te zullen verschijnen. Naar aanleiding van de behandeling ter zitting heeft de Raad nog inlichtingen ingewonnen bij de auteur van het stuk waartegen de klacht zich richt, P. de Schipper. Hierop zijn brieven gevolgd van P. de Schipper van 19 december 1994 en van betrokkene van 4 januari 1995.

De feiten

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.

1. Klaagster heeft tot in hoogste instantie geprocedeerd om de identiteit van haar vader te achterhalen. Diens gegevens bevinden zich in een dossier, dat beheerd wordt door het toenmalige Moederheil, de instelling waar haar moeder na haar geboorte onderdak heeft gehad. De Hoge Raad besliste in het voordeel van verzoekster.

In het dagblad De Stem van 3 mei 1994 is onder de tussen aanhalingstekens gestelde kop "Onvoorstelbaar ... hìj is het" een artikel gepubliceerd van Paul de Schipper waarin verslag gedaan wordt van het moment waarop klaagster inzage kreeg in het dossier. De journalist is bij de inzage aanwezig geweest. Het slot van deze publikatie bevat de volgende passage.

"We praten na. Verplichte vraag: is je leven veranderd? 'Weet ik niet, ik heb wat bezinning nodig.' 'Je zag je dossier, de naam, wat nu? 'Ik ga 'm bellen, vanmiddag nog.
Hij kent me. Ik wist zijn naam van mijn halfbroer, dat hij verkering met moeder heeft gehad. Hij moet nu 82 zijn. Zeven jaar geleden belde ik hem al eens. 'Je moeder was een hoer,' zie hij toen. Dat was het gesprek. Ik dacht: 'Dan was jij de hoerenloper'.
Ze wordt boos als ze eraan terugdenkt: 'Waarom, waarom krijgen moeders altijd de schuld. Er zijn er toch twee nodig voor een kindje, maar de vrouw begaat altijd de zonde. Overal lees ik dat m'n moeder niet gedeugd heeft. Natuurlijk, dat mens heeft nooit een kans gekregen. Ze is het slachtoffer van een benepen maatschappij net zoals er oorlogsslachtoffers zijn. Allen, zij en al die anderen die nog leven, zijn nooit erkend. Ze zijn schandelijk behandeld. Ik wil op de bres staan voor die moeders die als oud vuil zijn behandeld, de moeders en hun kinderen: die kleine volwassenen die zo gauw monddood worden gemaakt."

In het Eindhovens Dagblad van 3 mei 1994 is onder de tussen aanhalingstekens gestelde kop "Ik ga hem vanmiddag nog bellen" hetzelfde artikel in verkorte vorm gepubliceerd met vermelding van P. de Schipper als auteur. Deze publikatie eindigt als volgt.
"Ze weet nu de naam van haar vader, als de Moederheil-gegevens juist zijn en haar moeder de juiste naam opgaf. 'Ik ga hem bellen, vanmiddag nog. Hij kent me. Ik wist zijn naam van mijn halfbroer, dat hij verkering met moeder heeft gehad. Hij moet nu 82 zijn. Zeven jaar geleden belde ik hem al eens. 'Je moeder was een hoer' zei hij toen. Dat was het gesprek. Ik dacht: 'Dan was jij de hoerenloper'."

De standpunten van partijen

Klaagster maakt bezwaar tegen het feit dat het Eindhovens Dagblad het stuk van P. de Schipper heeft bekort zonder haar toestemming. Zij heeft meegewerkt aan het artikel van De Schipper omdat met hem was afgesproken dat zij vooraf inzage zou hebben en correcties zou kunnen aanbrengen. Dat is gebeurd. Zij heeft daarom haar fiat verleend aan het stuk.

Voor de bekorte versie, die in het Eindhovens Dagblad is verschenen zou zij nimmer haar toestemming hebben gegeven. De passage waarin zij haar visie geeft op het gebruik van de term "hoer" voor vrouwen zoals haar moeder ontbreekt. Die passage is voor haar essentieel.

Betrokkene heeft geantwoord dat de bekorting plaatsvond omdat het stuk geplaatst werd op de nieuwspagina als vervolg op eerdere berichten over de zaak van klaagster. De oorspronkelijke versie van De Schipper was daarvoor te lang. Betrokkene is van oordeel dat de tekst zorgvuldig is ingekort.

De Schipper heeft bevestigd dat hij zijn artikel vóór publikatie ter goedkeuring heeft voorgelegd aan klaagster overeenkomstig hun afspraken. Binnen het VNU-samenwerkingsverband waartoe het dagblad De Stem en het Eindhovens Dagblad behoren "is kopij vogelvrij". Indien de versie, die in het Eindhovens Dagblad is verschenen aan hem was voorgelegd, zou hij die niet voor zijn verantwoording hebben genomen.
Betrokkene heeft hierop geantwoord dat binnen de VNU-Dagbladengroep de redacties de verplichting hebben onderling kopij uit te wisselen.
"De hoofdredactie van de 'ontvangende' krant beslist dan zelf in hoeverre de tekst al dan niet integraal wordt opgenomen. Boven het artikel van P. de Schipper stond niet dat het om een geautoriseerd artikel ging, dus dat is volgens de normale gang van zaken binnen het Eindhovens Dagblad behandeld."

Beoordeling van de klacht

Het voor het dagblad De Stem geschreven artikel van P. de Schipper is in sterk verkorte vorm overgenomen in het Eindhovens Dagblad. Het gaat hier niet om een nieuwsbericht maar om een achtergrondartikel, dat in hoofdzaak bestaat uit een vraaggesprek met de hoofdpersoon van het nieuwsfeit.

Betrokkene heeft voor het recht op overname een beroep gedaan op het feit dat het Eindhovens Dagblad en De Stem beide deel uitmaken van het samenwerkingsverband van de VNU-Dagbladengroep. De regels van dit samenwerkingsverband brengen mee dat de deelnemers verplicht zijn over en weer kopij af te staan, naar de Raad begrijpt zonder dat daarvoor afzonderlijk toestemming van de auteur nodig is. Een dergelijke regeling ontslaat de overnemende krant echter niet van de verplichting rekening te houden met de belangen van derden. In het onderhavige geval, waar het gaat om een verslag/interview over een voor de geinterviewde zeer gevoelige materie, had betrokkene er op bedacht moeten zijn dat door inkorting van het oorspronkelijke artikel de rechten van de geinterviewde geschonden zouden kunnen worden. Hoewel het de voorkeur had verdiend dat de auteur de oorspronkelijke kopij voorzien had van vermelding van de door hem gemaakte autorisatie-afspraak, had betrokkene het artikel ook zonder kennis daarvan niet in verkorte vorm mogen publiceren zonder voorafgaand overleg met de oorspronkelijke auteur en/of klaagster en wel op grond van de zelfstandige verplichting van betrokkene tot zorgvuldigheid jegens derden.

Beslissing

De Raad acht de klacht gegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in het Eindhovens Dagblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 18 april 1995 door mr W.D.H. Asser, voorzitter, mr L. van Vollenhoven, mr G. Dullens, mw T.M. Lücker en K. Wiese, leden, in tegenwoordigheid van mr A.C.M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1995, 7.