1995/5 ongegrond

A.C. Leander tegen de hoofdredacteur van het Brabants Nieuwsblad

In een brief van 25 november 1994 met een bijlage heeft A.C. Leander te Roosendaal (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het Brabants Nieuwsblad G. Bilderman (betrokkene). Deze heeft op de klacht geantwoord in een brief van 23 december 1994 met twee bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 16 februari 1995. Klager was niet aanwezig. Betrokkene is in persoon verschenen.

De feiten

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.

Klager is exploitant van kermisattracties. Hij woont sinds jaren in een woonwagen op het erf van een huis in de Damstraat te Roosendaal. De kermisattracties staan opgeslagen in de bij het woonhuis behorende schuren.

Op verzoek van de eigenaar is er in september 1994 een ontruimingsvonnis gewezen. In het Brabants Nieuwsblad van 15 oktober 1994 is onder de tussen aanhalingstekens geplaatste kop "Haast maken met ontruiming" aandacht besteed aan de op handen zijnde ontruiming. Deze publikatie begint met de volgende passage.

"Kermisexploitant A. Leander moet haast maken met het ontruimen van het pand Damstraat 6. 'Ik ben het onderhand beu. Hij had veertien dagen de tijd om de boel leeg te halen. Heeft er zelfs nog een paar dagen bij gevraagd en gekregen. Nu moet hij echt opschieten'., zegt de Roosendaalse advocaat P. Gremmen."

Daarna wordt in het artikel meegedeeld dat klager door de uitspraak van de rechter in problemen is gekomen omdat het erg moeilijk is een andere staanplaats voor de woonwagen te vinden en om de attracties elders op te slaan.

Een vriendin van klager wordt geciteerd in de volgende passage.
"'Voor de attracties is inmiddels een oplossing gevonden. Maar de verhuizing van alle spullen vergt veel tijd en energie. Leander is ook niet meer de jongste. En hij kan alleen 's avonds hulp krijgen'. Ze zegt dat de kermisbaas door de spanningen bovendien lichamelijke klachten heeft gekregen. 'Hij woonde er drie├źndertig jaar. Dat is niet niks'."

De standpunten van partijen

Klager maakt bezwaar tegen het feit dat hij met naam en toenaam is genoemd. Hij is van mening dat hij ten onrechte wordt afgeschilderd als profiteur. Ook bevat de publikatie volgens klager onjuistheden.

Betrokkene heeft geantwoord dat het artikel van 15 oktober het vervolg is op het eerder in de krant gepubliceerde verslag van het kort geding inzake de ontruiming. Bij het Brabants Nieuwsblad geldt als regel dat personen, die in berichtgeving voorkomen met naam en toenaam worden genoemd, tenzij er reden is om van deze hoofdregel af te wijken zoals in het geval van verdachten van strafbare feiten en slachtoffers. In de zaak van klager was er geen reden om van de regel af te wijken, te meer niet nu klager in Roosendaal een bekende persoonlijkheid is.

Volgens betrokkene bevat de publikatie geen onjuistheden evenmin als negatieve kwalificaties ten aanzien van klager.

Beoordeling van de klacht

Het feit dat klager in het Brabants Nieuwsblad met zijn volle naam is genoemd kan naar het oordeel van de Raad niet beschouwd worden als aantasting van de persoonlijke levenssfeer van klager nu het gaat om de uitvoering van een ontruiming waarover in het openbaar een kort geding is gevoerd en waarover al eerder in de krant was gepubliceerd. De kwalificatie "profiteur" komt in de publikatie niet voor en volgt ook niet uit de strekking van het artikel. Klager heeft niet aangegeven waaruit de onjuistheden zouden bestaan zodat de Raad hierover niets heeft kunnen vaststellen.

Op grond van het bovenstaande is de Raad van oordeel dat betrokkene niet de grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op zijn journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

Beslissing

De Raad acht de klacht ongegrond.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 16 februari 1995 door mr W.D.H. Asser, voorzitter, mr L. van Vollenhoven, M.J. Kes, K. Wiese en mw A. Koerts, leden, in tegenwoordigheid van mr A.C.M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1995, 5,