1995/36 gegrond

W. Losse tegen de hoofdredacteur van het Nieuwsblad van het Noorden

In een brief van 18 mei 1995 met twee bijlagen heeft mr W. Aerts te Nijmegen namens W. Losse te Mühltal (BRD) (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het Nieuwsblad van het Noorden en Gerard de Kleine (betrokkenen). In een brief van 3 augustus 1995 met 17 bijlagen heeft mr D.T. Dalmolen op de klacht gereageerd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 15 december 1995. Namens klager was aanwezig mr W. Aerts en namens betrokkenen mr D.T. Dalmolen.

De feiten

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.

Klager heeft in 1990 een schip laten bouwen voor een bedrag van ruim f 700.000,- bij het botenbouwbedrijf Waarschip B.V. gevestigd in 't Waar, toenmalig eigendom van K.T. Kremer. In september 1990 liep het schip averij op, waarop klager een procedure instelde bij de Arrondissementsrechtbank te Groningen tegen de werf tot het verkrijgen van schadevergoeding wegens constructiefouten. Hangende deze procedure vroeg klager in een op 7 mei 1991 behandeld kort geding een voorschot op de schade alsmede een bevel tot het uitvoeren van een eerste herstel aan het schip, welke laatste eis werd toegewezen. Over deze zaak werd bericht in het Nieuwsblad van het Noorden van 8 en 23 mei 1991.

In de krant van 9 augustus 1991 wordt vervolgens bericht dat de rechtszaak het echtpaar Kremer heeft doen besluiten hun bedrijf vervroegd te verkopen aan de bedrijfsleider D.J. Teerling.

In de krant van 16 november 1994 is een bericht opgenomen over de Zwitser Philip Schneider, die kort tevoren via een advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden contact zocht met een advocaat voor een procedure tegen de werf Waarschip B.V. wegens fouten aan een geleverde boot. In dat bericht wordt melding gemaakt van het geschil van de werf met klager ten tijde van de directie van het echtpaar Kremer.
In de krant van 19 november 1994 is vervolgens een ingezonden brief geplaatst van mevrouw S.D. Kremer-Lammers. Deze brief bevat de volgende passage.
"Tot slot vermeldt uw verslaggever, dat ruim 3 jaar geleden een Duitser hetzelfde bedrijf voor de rechter sleepte, waarbij deze Waarschip B.V. veroordeelde tot f 150.000,- 'verbeteringskosten'. Dit is zeer onjuist. Tevens suggereert uw verslaggever, dat dat de reden was van het opstappen van directeur K.T. Kremer en echtgenote. Ook dit is onjuist. De desbetreffende Duitser, die een luxe catamaran bij de werf had laten bouwen vertrok met het schip zonder de laatste rekening te betalen en uit te klaren. Dit tegen alle afspraken in. Wij hebben hem weten op te sporen op Terschelling, waar hij was gaan schuilen i.v.m. de hevige storm. Daar deze Duitser op de vlucht ging voor onze deurwaarder, de kortste weg kiezend over de banken, bij afgaand tij en bij windkracht 8, zette de deurwaarder per boot de achtervolging in. De Duitser negeerde diens bevelen, waarop de hulp van de politie te water ingeroepen werd. Deze enterde het schip en voer het terug naar de haven van Terschelling, alwaar grote hilariteit uiteraard. De Duitser heeft toen wraak gezworen en besloten Waarschip B.V. en haar directeur onderuit te halen. Voor wat mijn echtgenoot betreft is dat bijna gelukt. Hij heeft de ordinaire scheldpartijen en de vernietigingsdrang van deze zeer vermogende Duitser, die koste wat het kost zijn gelijk wilde halen, nauwelijks overleefd. Werd ernstig hartpatiënt, diende twee openhartoperaties te ondergaan. Zijn integriteit was op grove wijze aangetast, hij kon niet op tegen de leugens van deze Duitser, die overigens nog steeds een gatatoeëerd nummer onder zijn oksel had."

In het Nieuwsblad van het Noorden van 4 mei 1995 is onder de kop "Claim boze Duitser nekt scheepswerf" op de voorpagina een bericht verschenen over het op 3 mei 1995 behandelde kort geding tussen werf-eigenaar Teerling en zijn voorganger Kremer in verband met de draagplicht van laatstgenoemde met betrekking tot de inmiddels door de rechtbank toegewezen vordering van klager op de werf. Op pagina 3 van de krant wordt onder de kop "Duitser zou dubieuze achtergrond hebben" bericht over de achtergrond van deze zaak in verband waarmee een groot deel van de ingezonden brief van mevrouw S.D. Kremer-Lammers uit de krant van 9 november 1994 wordt overgenomen, waaronder de passage over de oksel-tatoeëring. Het artikel vermeldt daarover het volgende.
"Die half verscholen markering bij Losse wijst naar de mening van mevrouw Kremer op een eertijds lidmaatschap van de gevreesde SS in Hitler-Duitsland."
Het na dit bericht tussen klager en betrokkenen gevoerde overleg over een rectificatie heeft niet tot overeenstemming geleid.

De standpunten van partijen

De bezwaren van klager zijn de volgende.
1. De beschuldiging dat klager lid zou zijn geweest van de SS is onjuist en is gepubliceerd zonder wederhoor toe te passen.
2. De verwijzing naar het beweerdelijke oorlogsverleden van klager had geen enkele relevantie voor het verslag van het kort geding waarin klager geen partij was.

In zijn toelichting heeft mr Aerts namens klager benadrukt dat er geen enkel publiek belang gediend was met het vermelden van de beschuldiging dat klager lid zou zijn geweest van de SS. Onder die omstandigheden is het vermelden van die beschuldiging onrechtmatig en onzorgvuldig. Klager is bovendien geen lid geweest van de SS en de krant heeft nagelaten bij klager te informeren wat precies zijn rol in de oorlog is geweest. Vrijwel iedere Duitser in de leeftijd van klager is in de oorlog onder de wapenen geweest en dat is iets anders dan een lidmaatschap van de SS.

Betrokkene heeft geantwoord dat klager een belangrijke rol speelt in de voorgeschiedenis van het kort geding waarover op 4 mei 1995 in de krant werd bericht. De verwijzing naar klager was dus relevant. De krant was echter wel gevoelig voor het argument van klager dat de beschuldiging van mevrouw Kremer niet gestaafd werd door feiten, zodat de krant klager op dat punt een rectificatie heeft aangeboden. Omdat klager deze naar de mening van de krant zonder concrete motivering niet aannam, kwam het tot een kort geding waarin werd beslist dat de kop boven het artikel ten onrechte de suggestie wekte dat het kort geding niet problemen betrof tussen Kremer en Teerling, maar de rol daarin van klager gekoppeld aan diens verleden. Op dit punt was een rectificatie naar het oordeel van de President op zijn plaats, daargelaten of de kwalificatie "dubieus" terecht was. De krant heeft aan het vonnis van de President voldaan en is voor het overige van mening dat de vereiste zorgvuldigheid is betracht doordat vóór die uitspraak reeds een rectificatie werd aangeboden.

Beoordeling van de klacht

Betrokkenen hebben in de gewraakte berichtgeving ten aanzien van klager de beschuldiging opgenomen dat klager tijdens de oorlog lid zou zijn geweest van de SS. Gezien de aard en de ernst van deze beschuldiging hadden betrokkenen wederhoor bij klager zelf moeten toepassen of verificatie anderszins. Door dit niet te doen hebben betrokkenen gehandeld in strijd met hetgeen gelet op hun journalistieke verantwoordelijkheid maatschappelijk aanvaardbaar was. Dit onderdeel van de klacht acht de Raad derhalve gegrond.

Het tweede bezwaar betreft de relevantie van de vermelding van het oorlogsverleden voor het bericht over het kort geding. Naar de mening van de Raad had de krant zich moeten beperken tot het vermelden van de rol van de persoon van klager bij de achtergrond-problemen van dit geding zonder verwijzing naar diens oorlogsverleden. Het enkele feit dat een van de partijen in dit geding in haar negatieve visie op het handelen van klager de beschuldiging van een SS-verleden betrok zonder aan te geven wat het zakelijke belang hiervan was voor het lopende geschil, had er niet toe mogen leiden dat de krant die beschuldiging publiceerde nu ook niets is gebleken van enig zakelijk verband met de beschreven kwestie. Op dit onderdeel acht de Raad de klacht derhalve eveneens gegrond.

Beslissing

De Raad acht de klacht gegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen deze beslissing integraal of in samenvatting in het Nieuwsblad van het Noorden te publiceren.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 15 december 1995 door mr W.D.H. Asser, voorzitter, W.F. de Pagter, M.J. Kes, mw A.G. Scherphuis en W.H.K. Ammerlaan, leden, in tegenwoordigheid van mw mr A.C.M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1995, 36.