1995/35 gegrond

Nieuw Justitia tegen hoofdredacteur van de Huizer Courant

Met een brief van 21 februari 1995 met twee bijlagen heeft de heer M. van Brakel, werkzaam als juridisch adviseur bij Rechtskundig communicatiebureau voor juridisch advies, publiciteit en reclame Nieuw Justitia te Hilversum (klager), een verzoek tot bemiddeling gedaan inzake een klacht tegen de hoofdredactie van de Huizer Courant te Huizen. Op 23 augustus 1995 heeft de door de voorzitter van de Raad aangewezen bemiddelaar, mr B.A. Schmitz, in zijn eindrapport geconcludeerd dat de bemiddelingspoging niet is geslaagd. Klager heeft laten weten in zijn klacht te persisteren. Op 8 december 1995 is schriftelijk gereageerd op de klacht door mr J.E. van der Wolf, namens de heer J. Bout, hoofdredacteur van de Huizer Courant (betrokkene).
De zaak is behandeld ter zitting van 15 december 1995. Klager werd vertegenwoordigd door de heer M. van Brakel. Namens betrokkene verscheen zijn advokaat mr J.E. van der Wolf.

De feiten

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.

Op 6 februari 1995 gaf klager een persbericht uit, waarin het College van Burgemeester en Wethouders te Huizen ongelijke behandeling werd verweten. In twee volgens klager identieke gevallen, ontving de ene persoon wel, doch de ander geen vergoeding van de gemeente Huizen voor kosten van rechtsbijstand in een onteigeningsprocedure. Op 9 februari 1995 verscheen er in de Huizer Courant het volgende bericht onder de kop "Huizen gaat niet in op 'chantagepraktijk':

De gemeente Huizen wil in geen enkel opzicht ingaan op de "chantagepraktijken van het rechtskundig communicatie- en adviesbureau Nieuw Justitia" betreffende de afhandeling van een onteigeningsprocedure over percelen aan de Lindenlaan. Dat heeft wethouder financiën en loco-burgemeester mr. H.M. Meijdam desgevraagd medegedeeld.
De discussie zou gaan over de kosten van de onteigeningsprocedure ten aanzien van een perceel in de Lindenlaan. Volgens het adviesbureau heeft de gemeente Huizen in een eerder stadium de kosten van een gelijksoortige aanvraag wèl vergoed, maar blijft nu in gebreke. Volgens de gemeente betreft het hier een zaak tussen de klager en de verzekeraar.
Klager heeft daarop tweemaal telefonisch contact gezocht met betrokkene, op 13 en 15 februari 1995. Omdat hij betrokkene niet te spreken kreeg stuurde hij per fax van 15 februari een brief waarin hij zijn bezwaren tegen de publikatie naar voren bracht. Tevens bevat deze brief een verzoek c.q. sommatie tot het plaatsen van een rectificatie en een weerwoord, waarbij gedetailleerd wordt aangegeven hoe weerwoord en rectificatie gepubliceerd zouden moeten worden.
Diezelfde dag heeft betrokkene telefonisch gereageerd en medegedeeld te willen meewerken aan publikatie van een rectificatie. Partijen werden het echter niet eens over de eis van klager, dat de rectificatie ondertekend zou moeten worden. De daarop volgende dag liet betrokkene, na overleg met een juridisch adviseur van de NNP, schriftelijk aan klager weten:
In het door u gewraakte artikel is de wethouder letterlijk geciteerd. Er is derhalve geen sprake van een onjuiste publikatie en dus evenmin aanleiding tot rectificatie. Slechts indien de wethouder zijn woorden intrekt zullen wij daarvan melding maken. Terzake daarvan dient u zich tot de wethouder en niet tot ons te wenden. Wij bestrijden voorts dat de publikatie onvolledig en daardoor misleidend zou zijn. Uw overige kwalificaties van het artikel laten wij geheel voor uw rekening. Op uw eisen zullen wij niet ingaan.
Klager heeft hierop een verzoek tot bemiddeling ingediend bij de Raad. De bemiddelingspoging is niet geslaagd.

De standpunten van partijen

Klager is van mening dat het bericht in de Huizer Courant een diffamerend karakter heeft. De kop en het citaat van de wethouder vindt hij kwetsend. Het bericht is volgens klager onvolledig en misleidend en miskent de informatie die door hem in het persbericht werd gegeven. Ook wordt betrokkene verweten geen wederhoor te hebben toegepast ten aanzien van de beschuldiging van de wethouder. Klager heeft ter zitting verklaard schade te hebben geleden als gevolg van de publikatie. Een deel van zijn cliëntèle is uit het verspreidingsgebied van de Huizer Courant afkomstig. Na de publikatie zijn er enige tijd beduidend minder telefonische vragen binnengekomen.
Klager voert aan dat het verweerschrift van betrokkene niet binnen de daartoe gestelde termijn is binnengekomen en om die reden niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Door de late ontvangst van het verweerschrift heeft hij onvoldoende tijd gehad om met name de daarin genoemde jurisprudentie te bestuderen.

Betrokkene meent dat de bemiddeling niet is mislukt, maar dat door omstandigheden, die niet voor zijn rekening komen, de in dat verband gemaakte afspraken niet zijn uitgevoerd. Om die reden zou de klacht niet ontvankelijk, dan wel afgewezen moeten worden.
Daarnaast voert betrokkene aan, dat over het door klager verspreide persbericht wederhoor heeft plaatsgevonden bij de betrokken wethouder. Met de combinatie van persbericht en reactie in de publikatie zou het beginsel van hoor en wederhoor voldoende gerespecteerd zijn. De aanduiding 'chantagepraktijk' is afkomstig van de wethouder en is zowel in de kop als in het bericht tussen aanhalingstekens geplaatst. Daaruit blijkt dat betrokkene die uitspraak niet tot de zijne heeft gemaakt. De reactie van de wethouder op het persbericht van klager is volgens betrokkene zakelijk weergegeven. Het bericht is een beknopte weergave van de door klager aan de orde gestelde kwestie en bevat volgens betrokkene geen feiten die onvolledig of misleidend zijn. Dat er schade is berokkend wordt door betrokkene betwist. Hij wijst erop dat ook in de Gooi- en Eemlander berichten over de kwestie zijn gepubliceerd.

Beoordeling van de klacht

Nu de bemiddelaar heeft gerapporteerd dat de bemiddelingspoging niet is geslaagd, neemt de Raad de klacht in behandeling.
Het overschrijden van de termijn die aan betrokkene is gegeven voor het indienen van een verweerschrift, leidt niet tot niet-ontvankelijkheid. Klager heeft desgevraagd laten weten op aanhouding van de zaak, voor bestudering van het verweerschrift met bijlagen, geen prijs te stellen.

De Raad is van oordeel dat de aanduiding 'chantagepraktijk' een vrij ernstige beschuldiging is, ook al staat die tussen aanhalingstekens. Betrokkene had die niet mogen opnemen, zonder op een behoorlijke manier te vermelden waar de zaak precies over gaat en zonder hoor en wederhoor toe te passen. De Raad vindt het onbegrijpelijk dat betrokkene de door klager gevraagde rectificatie niet heeft geplaatst, hoewel hij zijn bereidheid daartoe al uitgesproken had.

Beslissing

De Raad acht de klacht gegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in de Huizer Courant te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 15 december 1995 door mr W.D.H. Asser, voorzitter, W.F. de Pagter, M.J. Kes, mw. A.G. Scherphuis en W.H.K. Ammerlaan, leden, in tegenwoordigheid van mr I.H.J. Konings, secretaris.

RvdJ 1995, 35.