1995/33 gegrond

Uitgeverij Spaarnestad tegen G. Hage

In een brief van 2 juni 1995 met 5 bijlagen heeft mr F.J. Steenbeek namens Uitgeverij Spaarnestad B.V. te Haarlem (klaagster) een klacht ingediend tegen G. Hage te Holysloot (betrokkene). Deze heeft niet gereageerd op het verzoek schriftelijk op de klacht te antwoorden.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 15 december 1995. Betrokkene heeft niet gereageerd op de oproep om ter zitting te verschijnen. De Raad heeft met toestemming van klaagster over de zaak beslist op grond van de stukken, derhalve zonder mondelinge behandeling.

De feiten

De Raad gaat op grond van de stukken uit van de volgende feiten.

Klaagster is uitgeefster van het tijdschrift Playboy. Tussen de hoofdredacteur van Playboy, J. Heemskerk en betrokkene is in het voorjaar van 1995 contact geweest over de publikatie in Playboy van een door betrokkene te houden interview met Ruud Gullit. Het interview tussen betrokkene en R. Gullit heeft plaatsgevonden maar betrokkene heeft de tekst van het stuk vervolgens niet aan Playboy aangeboden maar aan HP/de Tijd. Het stuk is in dit weekblad gepubliceerd in de aflevering van de laatste week van april 1995.

De standpunten van partijen

Klaagster is van oordeel dat betrokkene gehandeld heeft in strijd met hetgeen, gelet op zijn journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is door in tegenstelling met wat was afgesproken tussen hem en de hoofdredacteur van Playboy, de tekst van het interview niet aan Playboy maar aan HP/de Tijd aan te bieden en te verkopen. De overeenkomst met betrokkene was niet schriftelijk vastgelegd maar er was een mondelinge afspraak, o.a. over het honorarium, en bij het houden van het interview met R. Gullit heeft betrokkene ook vermeld dat het stuk aangeboden zou worden aan Playboy.

Volgens de bij de klacht gevoegde correspondentie tussen partijen is betrokkene van oordeel dat er geen sprake was van een met Playboy gesloten overeenkomst. Als free-lance journalist maakte hij op eigen risico gebruik van een verblijf in Italië (voor een ander voetbal-interview) om R. Gullit te interviewen. Pas tijdens het gesprek met Gullit heeft hij meegedeeld dat het stuk mogelijk geplaatst zou worden in Playboy. Omdat hij per 1 mei 1995 in dienst zou treden van HP/de Tijd heeft hij uiteindelijk besloten het stuk aan dat blad aan te bieden en niet aan Playboy. Dat heeft hij in een brief van 25 april 1995 aan de hoofdredacteur van Playboy meegedeeld. Die brief eindigt met de volgende zin.
"Mijn oprechte excuses voor de niet ingeloste belofte."

Beoordeling van de klacht

Tussen partijen staat vast dat betrokkene vóór het interview met R. Gullit de mogelijkheid van plaatsing in Playboy had besproken: er was een afspraak gemaakt over het honorarium. Bovendien heeft betrokkene in het interview met Gullit plaatsing in Playboy genoemd en niet over andere publiciteitsmedia gesproken. Onder deze omstandigheden stond het betrokkene niet vrij om zonder voorafgaand overleg met Playboy het stuk aan te bieden aan HP/de Tijd.
De Raad zal de klacht derhalve gegrond verklaren.

Beslissing

De Raad acht de klacht gegrond.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 15 december 1995 door mr W.D.H. Asser, voorzitter, W.F. de Pagter, M.J. Kes, mw A.G. Scherphuis en W.H.K. Ammerlaan, leden, in tegenwoordigheid van mw mr A.C.M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1995, 33.