1995/32

AMBTSHALVE UITSPRAAK VAN DE RAAD VOOR DE JOURNALISTIEK

inzake het gebruik van onrechtmatig verkregen,
niet voor publicatie bestemde gegevens door journalisten

I. Inleidende opmerkingen aangaande de vraagstelling

A. Recentelijk is maatschappelijke onrust ontstaan over "gestolen informatie" die vertrouwelijk van aard is en door journalisten in de openbaarheid is gebracht. Het ging daarbij meer in het bijzonder om openbaar gemaakt maar (nog) niet voor openbaarmaking bestemd informatiemateriaal dat journalisten van derden hadden gekregen en waarvan zij wisten of behoorden te begrijpen dat degenen van wie zij dat materiaal hadden betrokken, het hadden verkregen door of als gevolg van overtreding van normen die er op gericht zijn te voorkomen dat de betrokken informatie in de openbaarheid wordt gebracht en/of aan derden ter beschikking komt. Wie bijvoorbeeld van de onderwereld vertrouwelijke justiti? stukken toegespeeld krijgt, weet of behoort in elk geval te begrijpen dat die stukken niet op een rechtmatige wijze in de handen van de betrokkene zijn gekomen en dat die stukken ook niet bestemd zijn voor publicatie.

B. De Raad zal dit materiaal hierna eenvoudigheidshalve aanduiden als "onrechtmatig verkregen, niet voor publicatie bestemde gegevens". Daarmee wordt deels aangesloten bij woordgebruik in het straf- en burgerlijke procesrecht, zonder dat overigens aangeknoopt wordt aan de regels die op die terreinen gelden.

C. Hierbij verdient aantekening dat de Raad de vraag wie in een concreet geval gerechtigd was te beslissen dat de bewuste gegevens niet voor publicatie bestemd waren, thans laat rusten; die vraag zal, zo nodig, van geval tot geval kunnen worden onderzocht. Overigens kan ook enig (al of niet wettelijk) voorschrift of de aard van de gegevens meebrengen dat zij niet bestemd zijn voor publicatie.

II. De procedure

A. Een van de leden van de Raad heeft voorgesteld op grond van de in art. 11 van het Reglement van de Raad gegeven bevoegdheid, een uitspraak te doen over de vraag of, en zo ja, in hoeverre journalisten onrechtmatig verkregen, niet voor publicatie bestemde gegevens mogen publiceren, omdat die vraag van algemene strekking is en van principieel belang. Dienovereenkomstig heeft de voltallige Raad besloten.

B. De behandeling van de zaak heeft in de voltallige Raad plaats gevonden op een door de voorzitter bepaalde wijze. Er zijn geen journalisten of andere betrokkenen gehoord, teneinde de indruk te vermijden dat de Raad met deze uitspraak meer in het bijzonder een oordeel beoogt over een of meer concrete journalistieke gedragingen die voorwerp zijn geweest van discussie in de pers, ook al hebben deze wel de aanzet gegeven tot het doen van deze uitspraak.

C. Met betrekking tot de vorm en hoedanigheid van de gegevens waarop deze uitspraak betrekking heeft - of het nu gaat om bijvoorbeeld schriftelijke mededelingen, bandopnamen, beeldmateriaal of computerbestanden - wordt geen onderscheid gemaakt. Daarmee wordt niet miskend dat de betrouwbaarheid van de gegevens mede kan worden bepaald door de informatiedrager. Maar dit is een kwestie die bij de hieronder uit te werken afweging aan de orde moet komen.

III. De strafrechtelijke en journalistieke verantwoordelijkheid

A. De Raad acht zich in het algemeen niet bevoegd tot het geven van een oordeel over de strafrechtelijke kanten van de materie die hier aan de orde is. Wel dient in verband met de mogelijke samenloop van strafrechtelijke en journalistieke verantwoordelijkheid het volgende te worden opgemerkt.

B. De grenzen van wat, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is, zullen in beginsel overschreden zijn als de journalist door het verwerven, onder zich hebben of gebruiken van de bewuste gegevens zich schuldig maakt aan een strafbaar feit en op die grond door de strafrechter wordt veroordeeld en straf krijgt opgelegd. Dit laatste is van belang, want of de betrokken journalist zich aan enig misdrijf schuldig heeft gemaakt kan in laatste instantie alleen de Nederlandse strafrechter beoordelen.

C. De strafbare feiten die in verband met het beschikken over onrechtmatig verkregen, niet voor publicatie bestemde gegevens, kunnen worden begaan zijn bijvoorbeeld een van de vormen van diefstal die het Wetboek van Strafrecht kent (zie art. 310 - 312 Sr) en heling (zie art. 416, 417 en 417bis Sr). Naast deze delicten kan ook nog worden gedacht aan de strafbaarstelling in de art. 98-98c, 272 en 273 Sr van het openbaren van staatsgeheimen, resp. schending van geheimhoudingsverplichtingen en het gebruik van door misdrijf verkregen computergegevens. Bij een en ander moeten ook de vormen van deelneming aan een dergelijk misdrijf worden betrokken. Genoemd worden hier uitlokking van of medeplichtigheid aan het misdrijf (art. 47 en 48 Sr).

D. De vraag onder welke omstandigheden het onder zich krijgen en houden, het gebruiken en het weer aan anderen ter beschikking stellen van de gegevens waarover het in deze uitspraak gaat, een misdrijf oplevert, kan naar het oordeel van de Raad niet los gezien worden van de taak die de journalist in het algemeen belang heeft. Of, en onder welke omstandigheden, zich hier een strafuitsluitingsgrond in strafrechtelijke zin kan voordoen - bijvoorbeeld het ontbreken van de zogenaamde materi? wederrechtelijkheid -, staat niet aan de Raad ter beoordeling. De strafrechtelijke bepalingen, vooral die betreffende heling en deelneming (uitlokking en medeplichtigheid) laten echter veel ruimte om tot het aannemen van een strafbaar feit te komen. Het beroep op een strafuitsluitingsgrond, met name het ontbreken van materi? wederrechtelijkheid, pleegt niet zo heel vaak te slagen.

E. Daar staat evenwel tegenover het zwaarwegende, in onder meer art. 10 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Verdrag van Rome, EVRM) gewaarborgde recht van vrijheid van meningsuiting. Het omvat mede de vrijheid om inlichtingen te ontvangen en biedt de journalist een stevige basis voor vrijheid van nieuwsgaring. Dit recht kan in een concreet geval de toepassing van de strafbepaling uitsluiten, omdat art. 10 EVRM door de Nederlandse rechter moet worden toegepast en van hoger orde is dan de Nederlandse wet. Over een geval waarin de strafwet met dit recht botst oordeelt niet alleen de strafrechter maar eventueel ook het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg.

F. Bij deze stand van zaken is er voldoende ruimte voor een journalistieke afweging. De journalist behoeft zich er dan ook niet enkel door de kans dat hij later voor het plegen van een strafbaar feit zal worden veroordeeld en gestraft, van te laten weerhouden overeenkomstig de in deze uitspraak te geven regels af te wegen of het in overeenstemming is met zijn journalistieke taak en verantwoordelijkheid, om gebruik te maken van onrechtmatig verkregen, niet voor publicatie bestemde gegevens.

IV. De civielrechtelijke en journalistieke verantwoordelijkheid

A. In de regel zal in civiele gedingen de gedraging van een journalist worden getoetst aan de algemene norm die art. 162 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek geeft met betrekking tot onrechtmatig handelen. De reikwijdte van deze bepaling is bijzonder groot en de burgerlijke rechter heeft een grote mate van beoordelingsvrijheid. In de loop der tijd zijn een aantal deelnormen voor onrechtmatige publicaties ontwikkeld.

B. De Raad volstaat met een verwijzing naar de desbetreffende rechtspraak en literatuur die hier verder buiten beschouwing moeten blijven. Opgemerkt wordt slechts dat de opvattingen binnen de journalistiek en meer in het bijzonder van de Raad bij de oordeelsvorming door de burgerlijke rechter een - soms belangrijke - rol kunnen spelen.

C. De afweging die de burgerlijke rechter zal maken in zaken die de (dreigende) publicatie van onrechtmatig verkregen, niet voor publicatie bestemde gegevens betreffen, zal, naar te verwachten valt, veel overeenkomst vertonen met de afweging die hierna zal worden uitgewerkt. Echter, een door de burgerlijke rechter onrechtmatig geoordeelde publicatie of journalistieke gedraging behoeft niet altijd de door de Raad gehanteerde journalistieke norm te schenden.

D. Overigens zal ook de burgerlijke rechter bij zijn beoordeling van de (on)rechtmatigheid van de publicatie mede rekening moeten houden met de in art. 10 EVRM gewaarborgde vrijheid van meningsuiting.

V. Verdere uitgangspunten voor het stellen van journalistieke normen

A. De Raad geeft zijn oordeel binnen het kader dat wordt bepaald door de algemene norm waaraan hij ingevolge art. 3 van zijn Statuten journalistieke gedragingen dient te toetsen, te weten of door die gedragingen de grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

B. Ten aanzien van de vraag welke nadere normen ontwikkeld kunnen worden voor het journalistiek verantwoord omgaan met onrechtmatig verkregen, niet voor publicatie bestemde gegevens, moet naar het oordeel van de Raad worden onderscheiden tussen enerzijds de verkrijging door de journalist van die gegevens en anderzijds het gebruikmaken daarvan.

C. Met betrekking tot dit gebruikmaken wordt hier alvast opgemerkt dat de Raad zich in deze uitspraak in het bijzonder richt op de publicatie van de bewuste gegevens, maar dat dit niet wegneemt dat denkbaar is dat wat de Raad in deze uitspraak dienaangaande als zijn oordeel te kennen geeft, zich op overeenkomstige wijze laat toepassen op gevallen waarin de journalist op een andere wijze gebruik maakt van onrechtmatig verkregen, niet voor publicatie bestemde gegevens, bijvoorbeeld in het kader van een door hem verricht onderzoek.

VI. De verkrijging van de gegevens

A. Wat de verkrijging van de gegevens betreft kan naast de beschouwingen die hierboven daaraan waren gewijd in het kader van de verhouding tussen strafrechtelijke en journalistieke verantwoordelijkheid, het volgende worden opgemerkt.

B. Naar het oordeel van de Raad is in beginsel daar de grens overschreden van wat, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is, waar door de journalist enige vorm van tegenprestatie is toegezegd voor het plegen van strafbare handelingen teneinde niet voor publicatie bestemde gegevens in handen te krijgen. Zo zal er niet betaald of betaling toegezegd mogen worden aan degenen die, door middel van het plegen van strafbare feiten, zulke gegevens kunnen leveren of hebben geleverd. Ook is de genoemde grens in beginsel overschreden indien de gegevens door de journalist zijn verkregen na toezegging van publicatie.

C. De journalist moet, kortom, alles achterwege laten dat er op lijkt dat hij een ander heeft aangezet of aangemoedigd tot het plegen van een strafbaar feit met het doel om de beschikking te verkrijgen over de bewuste gegevens.

D. Bij uitzondering kan van het voorgaande worden afgeweken, maar het moet dan wel gaan om zeer bijzondere omstandigheden die zo'n afwijking rechtvaardigen.

VII. Het gebruikmaken van de door de journalist verkregen gegevens

A. Het is niet mogelijk om een of meer algemene normen te geven die elk geval bestrijken waarin een journalist de beschikking heeft gekregen over onrechtmatig verkregen, niet voor publicatie bestemde gegevens. De omstandigheden waaronder de journalist voor de vraag kan komen te staan of hij zulke gegevens moet publiceren, zijn daarvoor te verschillend.

B. Die omstandigheden zullen - voor zover zij zich voordoen, in onderlinge samenhang bezien - wel van invloed kunnen zijn op de afweging die vereist is alvorens tot publicatie wordt besloten. Daarom zal op die omstandigheden nu eerst worden ingegaan, zij het dat met een grove tekening moet worden volstaan. Vervolgens zal de nadere normering aan de orde komen, de vorm die voor de publicatie moet worden gekozen en de laatste toets van het resultaat van de afweging.

C. Omstandigheden

1. In de eerste plaats kan worden gewezen op verschillen van context waarin de journalist zijn werk verricht en de publicatie dus zou plaatsvinden. Die context wordt bepaald door
(a) de aard van het betrokken publicatiemedium en
(b) het kader waarin binnen het betrokken medium de publicatie plaatsvindt.

2. Ten aanzien van VII.C.1 (a) kan allereerst worden opgemerkt dat weliswaar de televisie of de radio andersoortige media zijn dan kranten en weekbladen, maar dat als het gaat om de openbaarmaking zelf van niet voor publicatie bestemde gegevens die op onrechtmatige wijze zijn verkregen, de verschillen niet zo belangrijk zijn omdat de wijze van publicatie niet afdoet aan de schending van het - kort gezegd - vertrouwelijke karakter van de gegevens.

3. In dit verband kan verder de mate van tijdsdruk die samenhangt met de aard van het medium een rol spelen. Zo kan het voorkomen dat de beslissing of gepubliceerd kan/moet worden op de televisie of de radio en in een dagblad redelijkerwijs niet anders dan onder relatief grote tijdsdruk kan worden genomen. Dit heeft tot gevolg dat voorafgaande aan en ter voorbereiding van die beslissing noodzakelijkerwijze wat minder grondig onderzoek heeft kunnen plaatsvinden dan wellicht bij meer tijd van de betrokkenen kon worden gevergd. Dit aspect zal vooral bij de toetsing achteraf door de Raad aan de orde kunnen komen.

4. Het onder VII.C.1 (b) genoemde aspect van het kader waarin binnen het betrokken medium de publicatie plaatsvindt, toont grotere verschillen. Een dagblad of een periodiek met een strijdbaar karakter (bijvoorbeeld het orgaan van een belangengroep) levert een andere context op dan een huis- aan huisblad. Dit onderscheid wordt in ander verband ook gemaakt in de jurisprudentie van de Raad, zie J. Doomen, Opinies over journalistiek gedrag, 1987, hoofdstuk 4. Een nieuws- of actualiteitenprogramma of -rubriek met een uitsluitend informatief karakter is een andere context dan een programma of rubriek met een hoog amusementsgehalte. Relativerend werkt hier echter de ontwikkeling van bijvoorbeeld televisieprogramma's die beide elementen combineren ("infotainment"). In dit verband is het van belang op te merken dat er zonder twijfel raakpunten bestaan met een televisievorm die op dit moment opkomt: de "reality-tv".

5. Normen met het oog op de verschillende, hier genoemde gevallen, zijn niet op te stellen. Wel zijn het karakter en de doelstelling van het betrokken medium of programma, in verband met het hieronder nog te bespreken doel dat met de publicatie wordt beoogd, factoren die van invloed kunnen zijn op de afweging die voorafgaat aan de beslissing tot publicatie en op de toetsing daarvan achteraf door de Raad.

6. Naast de zojuist besproken context zijn als omstandigheden nog te noemen
(c) het tijdstip van de publicatie,
(d) de aard van de gegevens en daarmee samenhangend
(e) de belangen die in het geding zijn bij publicatie en niet-publicatie.

7. Het is evenmin gemakkelijk om vaste normen te ontwikkelen in verband met deze factoren. De publicatie kan bijvoorbeeld urgent zijn om dreigend gevaar voor bepaalde personen af te wenden. Spoedige publicatie kan ook geboden zijn in verband met maatregelen of voorzieningen die in het algemeen belang op korte termijn getroffen zouden moeten worden. De gegevens kunnen van zeer vertrouwelijke aard zijn, bijvoorbeeld de intiemste regio van de persoonlijke levenssfeer van een persoon betreffen, of "slechts" vertrouwelijk zijn in een politieke of ambtelijke context waarvan bekend is dat de betrokkenen zelf die vertrouwelijkheid nogal eens schenden door informatie naar de pers te laten "lekken". De belangen bij publicatie of juist de verhindering daarvan kunnen zeer groot zijn op publiek terrein of particulier gebied. Men denke in het eerste geval aan het staatsbelang dat zich kan verzetten tegen openbaarmaking van gegevens en het algemeen belang dat juist publicatie van onregelmatigheden eist, terwijl ten aanzien van particulieren kan worden gedacht aan de situatie dat de gevolgen van publicatie van bepaalde gegevens desastreus zullen zijn voor iemands reputatie, leven enz.. Die belangen kunnen ook marginaal zijn. Daartussen ligt een groot aantal gradaties.

8. In dit verband kan, vooral als het gaat om gegevens betreffende particulieren, gaan spelen de botsing van grondrechten, met name van enerzijds het grondrecht van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en anderzijds dat van vrije meningsuiting. De Nederlandse rechter heeft beslist dat er geen hi?rchie bestaat tussen deze grondrechten. Het recht op eerbiediging van de privacy, gewaarborgd door art. 10 van de Grondwet, art. 8 EVRM en art. 17 Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), gaat niet boven het recht op vrije meningsuiting, dat is vastgelegd in art. 7 Grondwet, art. 10 EVRM en art. 19 IVBPR, of omgekeerd. Met inachtneming van alle bijzonderheden van het geval, dienen de beide rechten dan tegen elkaar te worden afgewogen teneinde na te gaan welk recht in het betrokken geval zwaarder weegt. Verwezen wordt hiertoe naar het arrest van de Hoge Raad van 21 januari 1994, gepubliceerd in Nederlandse Jurisprudentie 1994, nr. 473, met een noot van prof. mr. D.W.F. Verkade, inzake Spaarnestad, uitgeefster van Panorama, tegen Ferdie E., waarin het de publicatie van een foto met een afbeelding van laatstgenoemde betrof.

D. De nadere normering van het gebruik; de afweging

1. Hierboven werd uiteengezet waarom het niet mogelijk is een aantal algemene normen te ontwikkelen waarmee alle gevallen bestreken zouden kunnen worden. Echter als algemene norm voor verantwoord journalistiek handelen in deze materie kan in elk geval gelden dat alvorens besloten wordt (uit) de onrechtmatig verkregen, niet voor publicatie bestemde gegevens te publiceren, alle betrokken belangen afgewogen moeten worden en daarbij rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, zoals de onder VII.C aangeduide omstandigheden, in hun onderlinge samenhang.

2. Het resultaat van de afweging zal, indien dit publicatie is, door de Raad uiteraard achteraf aan de algemene journalistieke norm getoetst kunnen worden, indien over de publicatie geklaagd wordt. Bij die toetsing zal de zorgvuldigheid van de afweging een belangrijk aspect zijn.

3. Ten aanzien van de afweging zelf dient een aantal formele regels en materi? aandachtspunten en af te wegen factoren genoemd te worden.

4. De volgende formele regels dienen in elk geval acht te worden genomen teneinde zoveel mogelijk te verzekeren dat de beslissing op een verantwoorde afweging berust.

5. Verantwoordelijkheid. In de eerste plaats moet nauwkeurig worden vastgesteld wie voor openbaarmaking journalistiek de eindverantwoordelijkheid zullen dragen. Voorts zullen degenen die deze eindverantwoordelijkheid dragen, zelf, althans mede, het besluit tot publicatie moeten nemen en de daartoe nodige afweging moeten hebben verricht.
Toelichting. De afweging of (uit) bijvoorbeeld gestolen informatie kan worden gepubliceerd mag de journalist aan wie de informatie is toegespeeld en/of van wiens (wier) hand de publicatie zal zijn waarin de informatie zal worden verwerkt, nooit alleen maken. Als hij of zij weet dat de informatie door bijvoorbeeld diefstal is verkregen dienen steeds allen bij de afweging te worden betrokken die de journalistieke eindverantwoordelijkheid dragen voor de publicatie.
Of naast degenen die de journalistieke eindverantwoordelijkheid dragen, ook degenen die overigens juridisch aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de publicatie, zoals de uitgever, betrokken moeten worden bij de besluitvorming, is niet ter beoordeling van de Raad, die immers geen bevoegdheden heeft te treden in de verhouding tussen de journalistieke en de zakelijke leiding van een publicatiemedium.

6. Melding. Voor de openbaarmaking van onrechtmatig verkregen, niet voor publicatie bestemde gegevens is in beginsel niet de voorafgaande toestemming van de rechthebbenden vereist. De omstandigheden van het geval kunnen echter wel meebrengen de journalist die over zulke gegevens beschikt en ze wil gaan gebruiken, de betrokkenen die ten aanzien van die gegevens als rechthebbenden kunnen worden aangemerkt, daarvan in kennis behoort te stellen alvorens tot publicatie over te gaan. De omstandigheden van het geval kunnen ook meebrengen dat voorafgaande aan de publicatie jegens deze betrokkenen hoor en wederhoor wordt toegepast.

Toelichting.
Steeds zal moeten worden meegewogen of de bedoelde rechthebbenden v?de publicatie moet worden meegedeeld dat men over vertrouwelijke, hen aangaande gegevens beschikt. De vereiste journalistieke zorgvuldigheid kan meebrengen dat dit gebeurt, bijvoorbeeld indien de bewuste gegevens zeer vertrouwelijk van aard zijn en/of de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen raken. Ook kan het voor de hand liggen dat men, alvorens tot publicatie van voor de betrokkenen belastende gegevens over te gaan, hoor en wederhoor ten aanzien van hen toepast. Overigens dient de journalist, als het gaat om informatie betreffende derden, tegenover deze derden in elk geval de gebruikelijke journalistieke beginselen, zoals hoor en wederhoor, in acht te nemen.

7. Naast deze formele punten verdienen de volgende materi? punten bij de afweging en de publicatie aandacht.

8. Betrouwbaarheid gegevens. Steeds zal moeten worden beoordeeld of de verkregen gegevens voldoende betrouwbaar zijn.

Toelichting.
Bezien moet worden of de informatie voldoende betrouwbaar is, mede in het licht van de wijze waarop en door wie zij is verkregen en aan de journalist is toegespeeld. Nagegaan moet worden of de betrokken journalist zijn bron kent en of manipulatie van het materiaal door die bron is uitgesloten. Met het oog hierop is het van groot belang dat de wijze van verkrijging van de gegevens worden genoemd bij de openbaarmaking, opdat de lezer zich ook zelf een oordeel kan vormen over de betrouwbaarheid. Uiteraard wordt door de bronbescherming (journalistiek privilege) de controle op de gemaakte afweging begrensd.

9. De aard van de door de verkrijging geschonden norm en de door die norm beschermde rechten en belangen. In de afweging zal moeten worden betrokken op welke onrechtmatige wijze de gegevens door de bron zijn verkregen. Bij de afweging moet rekening worden gehouden met de rechten en belangen die worden beschermd door de norm die bij de verkrijging is geschonden. Gegevens verkregen door geweld of chantage tegen personen mogen in beginsel niet voor publicaties worden benut.

Toelichting.
Zoveel mogelijk moet worden vastgesteld hoe het materiaal is verkregen: schending van geheimhoudingsplicht, verduistering, diefstal, afluisteren, chantage, geweldpleging enz., teneinde te kunnen laten meewegen welke rechten en belangen door die schending in het geding zijn. Bij schending van een geheimhoudingsplicht moet aandacht worden geschonken aan de volgende aspecten: (a) uit welken hoofde bestond die geheimhoudingsplicht? (b) welke rechten en belangen werden door die geheimhouding gediend? Bij een en ander moet onder meer rekening worden gehouden met de aard van de gegevens (zakelijk, priv?en de mate van vertrouwelijkheid daarvan. Men denke aan het verschil tussen enerzijds medische gegevens uit de persoonlijke levenssfeer of gegevens van politieke aard uit de publieke sfeer. Bij de overige normschendingen kan worden meegewogen of "slechts" eigendomsrechten of zakelijke belangen zijn geschonden dan wel veel verder strekkende persoonlijke rechten (recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, integriteit van het lichaam, menselijk leven). De ernst van de normschending kan van invloed zijn op de beslissing om al of niet te publiceren. In het algemeen gesproken zal de grens van wat journalistiek nog door de beugel kan, worden overschreden bij publicatie van gegevens die door de bron zijn verkregen (mede) door toepassing van geweld tegen of ongeoorloofde pressie op personen.

10. Het doel van de publicatie en de belangen die door publicatie worden gediend. Vastgesteld moet worden wat men met publicatie van de gegevens beoogt te bereiken en welke belangen door publicatie worden gediend. Bij de afweging moet daarmee rekening worden gehouden.

Toelichting.
Hier zijn drie aspecten aan de orde waaraan telkens aandacht moet worden besteed: (a) het doel van de publicatie en het journalistieke belang, (b) het algemene belang bij publicatie en (c) het particuliere belang daarbij. Tot (a) behoort de nieuwswaarde van de verkregen gegevens en het kader waarin de publicatie plaatsvindt. Bij (b) gaat het om de eventuele maatschappelijke, politieke of andere publieke belangen die gediend zijn bij publicatie van dit materiaal. Bij (c) moet men zich afvragen of de bron een bijzonder eigen belang bij openbaarmaking heeft. Zo zal een negatieve indicatie voor publicatie kunnen zijn dat het vooral de bron is die het betrokken medium te eigen bate wil gebruiken. Men denke aan de criminele organisatie die strafrechtelijk onderzoek door publicatie van justiti? informatie wil saboteren; belangen- of pressiegroepen die er op uit zijn de publieke opinie te gebruiken voor doelen waarvan het algemeen belang niet aanstonds duidelijk is; ondernemingen die er op uit zijn via de media onderhandelingen tussen concurrenten te ontwrichten.

11. De belangen die zich verzetten tegen publicatie. Bij de afweging dient steeds te worden betrokken de vraag of de belangen die door publicatie worden geschonden of in gevaar gebracht zo zwaar wegen dat van publicatie moet worden afgezien.

Toelichting.
Vragen die men zich dient te stellen zijn bijvoorbeeld of publicatie gevaar oplevert voor de veiligheid van mensen of goederen en, zo ja, wat de aard van dat gevaar is, hoe re? het is en hoe dreigend. Voorts kan de vraag rijzen of publicatie een schending meebrengt van de persoonlijke levenssfeer van personen, van andere al of niet persoonlijke rechten en belangen, en, zo ja, hoe ernstig die schending is.

E. De vorm van publicatie. Aan de vorm waarin de publicatie plaats vindt, dient met het oog op het ontzien van de belangen van de betrokkenen en derden aandacht te worden besteed.

Toelichting.
Het is mogelijk dat de verkregen informatie gegevens bevat van de rechthebbenden die zich wegens hun aard niet voor publicatie lenen of bij de publicatie waarvan geen enkel belang gediend is. Ook kunnen gegevens van derden voorkomen die niet aan de orde zijn. Men zal mede met het oog op een en ander telkens moeten afwegen in welke vorm gepubliceerd kan en moet worden: geeft men het materiaal rechtstreeks weer, laat men gegevens weg (blindering), citeert men of vat men slechts samen.

F. Het resultaat van de afweging. De afweging die leidt tot het besluit (uit) de gegevens te publiceren, kan slechts verantwoord worden geacht indien de conclusie is dat de belangen die gediend zijn bij publicatie in de gekozen vorm in ruime mate opwegen tegen de onrechtmatigheid van de verkrijging van het materiaal.

Toelichting.
Men dient zich, na de afweging aan de hand van de hierboven genoemde aandachtspunten en criteria steeds als laatste toetssteen de vraag te stellen, of het belang bij publicatie voldoende opweegt tegen de onrechtmatigheid van de verkrijging. De marge die daarbij in acht genomen moet worden moet aan de ruime kant zijn, mede in verband met de strafrechtelijke aspecten.

VIII. Slotsom

A. Met het voorgaande beoogt de Raad een handreiking te bieden aan de journalist die geconfronteerd wordt met onrechtmatig verkregen, niet voor publicatie bestemde gegevens en voor de vraag staat of hij (uit) die gegevens kan en eventueel moet publiceren. Hier volgt een samenvatting van de voornaamste naar het oordeel van de Raad in acht te nemen regels.

B. De grenzen van wat, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is, zullen in beginsel overschreden zijn als de journalist door het verwerven, onder zich hebben of gebruiken van de bewuste gegevens zich schuldig maakt aan een strafbaar feit en op die grond door de Nederlandse strafrechter wordt veroordeeld en straf krijgt opgelegd. Zie III.B.

C. De journalist behoeft zich er niet enkel door de kans dat hij later voor het plegen van een strafbaar feit zal worden veroordeeld en gestraft, van te laten weerhouden overeenkomstig de in deze uitspraak te geven regels af te wegen of het in overeenstemming is met zijn journalistieke taak en verantwoordelijkheid, om gebruik te maken van onrechtmatig verkregen, niet voor publicatie bestemde gegevens. Zie III.F.

D. De journalist moet alles achterwege laten dat er op lijkt dat hij een ander heeft aangezet of aangemoedigd tot het plegen van een strafbaar feit met het doel om de beschikking te verkrijgen over de bewuste gegevens. Zulk handelen levert in beginsel een overschrijding op van de grenzen van wat, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Zie VI.C.

E. Alvorens tot publicatie wordt besloten dient steeds een zorgvuldige afweging te geschieden door de voor publicatie journalistiek verantwoordelijken aan de hand van de in deze uitspraak gegeven materi? aandachtspunten en criteria. Zie VII.D.

F. De afweging die leidt tot het besluit (uit) de gegevens te publiceren, kan slechts verantwoord worden geacht indien de conclusie is dat de belangen die gediend zijn bij publicatie in de gekozen vorm in ruime mate opwegen tegen de onrechtmatigheid van de verkrijging van het materiaal. Zie VII.F.

?

Aldus vastgesteld door de Raad op 24 november 1995 door mr. P.J. Boukema, voorzitter, prof. mr. W.D.H. Asser, vice-voorzitter, mr. L. van Vollenhoven, mr. G. Dullens, W.F. de Pagter, mr. E.C.M. Jurgens, mr. B.A. Schmitz, M.J. Kes, drs. K.J. van der Zande, mw. drs. M.W.M. Vos-Van Gortel, mw. A.G. Scherphuis, mr. A.J. Heerma van Voss, J.M.P.J. Verstegen, mr. D.T. Dalmolen, K. Wiese, W.H.K. Ammerlaan, H. van Gessel, mw. J.A. Koerts, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. I.H.J. Konings, secretaris.

RvdJ 1995, 32.

Uitspraak 1995-32

?