1995/31 ongegrond

C.H. Spuijbroek tegen Hoofdredacteur Brabants Dagblad

Met een brief voorzien van drie bijlagen van 16 mei 1995 heeft de heer C.H. Spuijbroek te Middelbeers (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het Brabants Dagblad. Daarop is schriftelijk gereageerd op 6 juli 1995 door de heer Th. H. Temmink, hoofdredacteur (betrokkene).
De zaak is behandeld ter zitting van 27 oktober 1995, alwaar beide partijen in persoon zijn verschenen.

De feiten

Op 30 maart 1995 verscheen op de voorpagina van het Brabants Dagblad een artikel van de hand van de journalist H. Snijders met de kop 'Aprilgrap in De Beerzen valt verkeerd'. Daarin wordt verslag gedaan van een 1 april-grap van klager: hij stuurde nepbrieven naar kandidaat-kopers van een woningwetwoning in de gemeente Middelbeers, waarin melding gemaakt werd van een openbare verkoop van de woningwetwoningen en waarbij het openingsbod aanzienlijk lager werd vastgesteld dan de door de gemeenteraad bepaalde prijs. De grap heeft, zo wordt in het artikel vermeld, geleid tot aangifte wegens het vervalsen van handtekeningen en het onrechtmatig gebruiken van het briefhoofd van de gemeente. De journalist heeft in zijn artikel tevens de reactie van klager op de aangifte verwerkt.
Klager heeft in een brief van 24 april 1995 aan de hoofdredactie zijn ongenoegen over de vermelding van zijn naam kenbaar gemaakt en om schriftelijke excuses verzocht. Daarop is door betrokkene met een brief van 28 april 1995 afwijzend gereageerd.

De standpunten van partijen

Klager heeft bezwaar tegen het noemen van zijn naam in het artikel. Hij heeft de journalist daags voor de publikatie uitdrukkelijk verzocht vermelding van zijn naam achterwege te laten. Hij is van mening dat hij, als verdachte van een strafbaar feit, recht heeft op eerbiediging van zijn privacy.

Betrokkene voert aan dat klager met zijn 1 april-grap zelf de publiciteit gezocht heeft. Pas na de aangifte, toen de grap in een ander perspectief kwam te staan, kwam klager met het verzoek zijn naam niet te noemen. Betrokkene is van mening dat het noemen van de naam van klager relevant was. Klager geniet, vanwege zijn huurdersacties, bekendheid in de gemeente. Hij is tevens woordvoerder van de groep kandidaat-kopers. Ook wanneer alleen zijn initialen genoemd waren zou iedereen geweten hebben om wie het ging. Bovendien heeft klager gelegenheid gekregen zijn reactie te geven op de gebeurtenissen. Zijn toelichting beslaat ruim een derde deel van het artikel.

Beoordeling

Geenszins staat vast dat klager ten tijde van de publikatie in juridische zin verdacht werd van een strafbaar feit. Hij was als zodanig niet door de politie gehoord, laat staan dat toen vaststond dat klager ook vervolgd zou worden. Het enkele feit, dat aangifte van een strafbaar feit was gedaan, maakte klager dus nog niet tot verdachte. Overigens is ter zitting gebleken dat klager nooit meer iets over de strafklacht heeft vernomen van de politie, zodat aangenomen kan worden dat de klacht terzijde is gelegd.
Betrokkene had voldoende redenen om de naam van klager wel te vermelden, hoewel hij daarbij tegen een verzoek van klager in handelde. Klager heeft immers niet betwist dat hij zelf met de 1 aprilgrap de publiciteit heeft gezocht en dat hij vanwege zijn huurdersacties bekendheid in de gemeente genoot. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan betrokkene in dit geval aan dat verzoek had behoren te voldoen, is in dit geval niet gebleken.

Beslissing

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in het Brabants Dagblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 21 november 1995 door mr W.D.H. Asser, voorzitter, mr G. Dullens, H. van Gessel, drs. M.W.M. Vos-van Gortel, en K. Wiese, leden, in tegenwoordigheid van mr I.H.J. Konings, secretaris.

RvdJ 1995, 31.