1995/30 ongegrond

Centre for Commercial Innovation ltd. (CCI) tegen Personal Computer Magazine (PCM)

Met een brief voorzien van vijf bijlagen van 3 april 1995 heeft de heer R.L.A. Trost namens het Centre for Commercial Innovation Limited te Arnhem (klager) een klacht ingediend tegen het Personal Computer Magazine (betrokkene). Op de klacht is door betrokkene niet gereageerd.
De zaak is behandeld ter zitting van 27 oktober 1995, alwaar klager in persoon is verschenen. Namens betrokkene verschenen de heer M. Heffels, hoofdredacteur en de heer D. Simonis, journalist. Ter zitting zijn door de heer Heffels afschriften van correspondentie tussen betrokkene en klager overgelegd. Klager heeft verklaard de overgelegde stukken te kennen.

De feiten

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.

In het decembernummer 1994 van het Personal Computer Magazine is een recensie verschenen van de hand van de journalist Dick Simonis over het computerprogramma "Operation BrainStorm 2.1". Klager is leverancier van dit programma, een creatief denkprogramma, dat het instrument is van de Global Think Tank, een wereldomspannende brainstormgroep. De recensie is nogal ironisch van toon en eindigt met de conclusie:
"De basis van het programma OBS stelt niet erg veel voor. Een paar gegevensbestandjes, I Ching-verwijzingen en aanverwant spul, gekoppeld aan een schermpresentatie. Trost verkoopt ons voornamelijk een idee dat hij waarschijnlijk met zijn eigen programma heeft ontwikkeld en waar we erg veel voor moeten betalen ...".
Klager heeft in een brief van 29 november 1994, gericht aan de verantwoordelijk PCM-redacteur, de heer F. Sennema, laten weten de recensie 'buiten alle proporties onjuist en negatief' te vinden en gesteld daar schade van te ondervinden. Tevens verzocht hij om plaatsing van een bijgesloten reactie in het eerstvolgende nummer van PCM. Op het moment waarop klager zich tot de Raad wendde, 3 april 1995, had hij nog geen antwoord op zijn brief ontvangen. In een brief van 18 mei 1995 heeft mr P. van Driessen van VNU Juridische Zaken aan klager voorgesteld, om in het juli/augustusnummer 1995 een andere ingezonden brief over de recensie te plaatsen, met als naschrift een oproep van Dick Simonis aan de lezers om deel te nemen aan een Operatie BrainStormsessie. Klager heeft vervolgens op 24 mei 1995 schriftelijk aan mr Van Driessen laten weten dat hij vast wenste te houden aan zijn verzoek tot plaatsing van de door hem opgestelde reactie.

De standpunten

Klager stelt dat de recensie in het PCM een onnodig ironisch, grievend en kwaadaardig artikel is, waarin ook over de persoon van de heer Trost insinuerende en denigrerende opmerkingen worden gemaakt. Het artikel heeft volgens klager grote schadelijke gevolgen gehad voor zijn omzet, hetgeen zou blijken uit het feit dat er slechts één telefonische reactie van een belangstellende is binnengekomen naar aanleiding van het artikel. Klager heeft zich temeer verbaasd over de toonzetting van de recensie, nu de heer Simonis in een ander computertijdschrift, dat al eerder was verschenen, wel een gunstige conclusie had over 'Operation BrainStorm'. Klager vindt dat de verantwoordelijk redacteur, de heer Sennema, had behoren te reageren op zijn brief. Dat de door hem opgestelde reactie niet in PCM is geplaatst, acht hij een schending van zijn recht op wederhoor.

Namens betrokkene is medegedeeld dat de heer Sennema inmiddels niet meer werkzaam is bij PCM. Mede daardoor is niet op de klacht gereageerd. Er is echter wel, zij het in een laat stadium, geantwoord op de brief van klager aan PCM, zoals blijkt uit de ter zitting overgelegde correspondentie.
Betrokkene geeft toe dat er wat plagerige opmerkingen in de recensie staan, waardoor die enigszins het karakter van een column heeft gekregen. Er zijn echter ook positieve aspecten genoemd, zoals de multiculturele opzet en het solitaire brainstormen. De recensie die in het andere tijdschrift verscheen was gericht op een meer gespecialiseerd lezerspubliek. Het programma is daarvoor vanuit een andere gezichtshoek bekeken en de journalist kwam toen wel tot een gunstig oordeel. Voor de lezers van PCM is het produkt breder beoordeeld en was de conclusie veel minder positief.
Betrokkene geeft meestal gelegenheid tot een weerwoord, indien er gereageerd wordt op recensies, omdat men zich realiseert dat er een economisch belang meespeelt. De door klager opgestelde reactie had echter meer het karakter van een promotie van het produkt dan van een weerwoord. Om die reden is aan klager voorgesteld een andere binnengekomen brief te plaatsen. Omdat klager dit niet als een vorm van weerwoord wilde accepteren is ook deze brief uiteindelijk niet geplaatst.

Beoordeling

De klacht is gericht tegen:
1. de toonzetting van de recensie, die als grievend en onheus wordt omschreven;
2. het niet plaatsen van het door klager opgestelde weerwoord.

De Raad vindt de recensie badinerend van toon, maar is van mening dat betrokkene hiermee niet over de schreef is gegaan. Een dergelijke schrijfstijl is niet ongebruikelijk in een recensie. Er is niet vast komen te staan dat klager hierdoor werkelijk schade heeft geleden. De Raad kan zich overigens wel voorstellen dat het artikel bij klager bevreemding heeft gewekt, nu er in een ander blad door dezelfde journalist wel een positieve recensie was geschreven.
In beginsel behoort de beslissing aangaande het al dan niet plaatsen van een reactie op een artikel tot de vrijheid van de redactie, onverminderd het recht van een betrokkene om feitelijke onjuistheden recht te zetten. De Raad heeft niet kunnen constateren dat er feitelijke onjuistheden in de recensie staan. Het verdient evenwel aanbeveling voor een hoofdredactie om alert en adequaat te reageren wanneer door middel van een ingezonden brief om een weerwoord wordt gevraagd. Dat is hier niet gebeurd.

Beslissing

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in het Personal Computer Magazine te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 21 november 1995 door mr W.D.H. Asser, voorzitter, mr G. Dullens, H. van Gessel, drs. M.W.M. Vos-van Gortel, en K. Wiese, leden, in tegenwoordigheid van mr I.H.J. Konings, secretaris.

RvdJ 1995, 30.