1995/24 deels gegrond

Prof. Ph. H. Quanjer tegen Carine Damen en A. van Ammelrooy

In een brief van 10 mei 1995 met zes bijlagen heeft prof. Ph.H. Quanjer (klager) een klacht ingediend tegen Carine Damen en A. van Ammelrooy, hoofdredactrice van Mare (betrokkenen). Betrokkene Damen heeft op de klacht gereageerd in een brief van 8 juni 1995 met twee bijlagen. Betrokkene A. van Ammelrooy reageerde in een brief van 8 juni 1995 met twee bijlagen.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 6 oktober
1995. Beide partijen waren in persoon aanwezig.

De feiten

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.

Klager is hoogleraar aan de Faculteit der Geneeskunde van de Rijks Universiteit Leiden. In 1984 was hij een van de initiatiefnemers van de oprichting van de studie Biomedische Wetenschappen door de faculteit geneeskunde. Over de ontwikkeling van deze studie is in de aflevering van 9 maart 1995 van Mare, het Leidse universitaire weekblad, onder de kop "Bedrijven versmaden 'superonderzoekers' BW" met daarboven in kleinere letters "Tien jaar biomedische wetenschappen" een artikel verschenen van betrokkene Damen. Dit artikel opent met de volgende passage.

"Biomedische Wetenschappen een opleiding tot het aio-schap? Het lijkt er sterk op. Tachtig procent van de afgestudeerden wordt aio of oio. De belofte van een snelle carrière in de farmaceutische industrie wordt niet ingelost. Een voorbeeld van een studie die in overleg met het bedrijfsleven tot stand kwam en vervolgens daar weinig banen blijkt op te leveren."

Het artikel bevat voorts de volgende passages.

"De studie gezondheidswetenschappen, thans Biomedische Wetenschappen, werd in 1984 op initiatief van professor E.L. Noach, professor Ph.H. Quanjer en drs. F.A.J. Jansen door de faculteit geneeskunde opgericht. Het doel was studenten op te leiden tot jonge, zelfstandige, wetenschappelijke onderzoekers die medisch-biologische onderzoeken zouden doen aan universiteiten en bij de centrale overheid en de farmaceutische industrie. Artsen waren immers niet opgeleid tot onderzoekers en chemici of biologen wisten weer te weinig van klinische zaken. BW-ers zouden zich specialiseren in onderzoeksvaardigheden en zouden zich onderscheiden van Bio-Farmaceutische Wetenschappers (BWF), biologen en chemici door hun kennis van ziekten en het menselijk lichaam."

" 'Biologen vonden het idee om BW op te richten belachelijk', zegt Quanjer. 'Maar er was behoefte aan BW-ers'. Hij vertelt hoe de faculteit, een half jaar nadat het groene licht voor oprichting van de studie BW was gegeven, door bureau Twijnstra en Gudde een marktonderzoek liet doen naar de plaatsbaarheid van afgestudeerde BW-ers en welke kennis en vaardigheden zij nodig hadden om een baan te krijgen. In het rapport van het marktonderzoek staat te lezen: 'De huidige inzetbaarheid naar marktsector: Centrale Overheid: 28 procent, bedrijfsleven: 27 procent en instellingen van wetenschappelijk onderzoek: 45 procent.' En even later: 'Toekomstige inzetbaarheid naar marktsector: 'Centrale overheid: 18,5 procent, curatieve zorg: 13 procent, wetenschappelijk onderzoek: 23 procent en bedrijfsleven: 35,5 procent.' De verwachting was dus dat een groot deel afgestudeerde BW-ers werk zou vinden in de industrie. Dit was ook de mening van industriële managers die nauw bij de planning van de studierichting werden betrokken."

"Uit een in 1992 verschenen visitatierapport kwamen echter andere feiten naar voren. Het bleek dat BW-ers na de eerste fase van hun studie nog geen zelfstandige onderzoekers zijn. De tweede fase, promoveren, is hiervoor noodzakelijk. Tachtig procent van alle afgestudeerden wordt dan ook aio of oio. ... Een voorzichtige conclusie is dat BW zich als opleiding anders heeft ontwikkeld dan de oprichters hadden verwacht. Hoe kan dat? 'Rond 1988 zette de economische recessie in waardoor bedrijven, universiteiten en centrale overheid veel minder geld hadden en dus het aantal banen in alle sectoren sterk terugliep,' zegt Noach. 'De arbeidsmarkt is zo slecht dat er alleen aio-plaatsen te krijgen zijn,' vindt ook zesdejaars studente BW Christa van Kan. En Quanjer: 'Aio's zijn maar vier jaar in dienst dus is het makkelijker om een aio-plaats te krijgen dan een vaste baan'."

"Om dezelfde reden ziet de faculteit ook niet graag studenten bij buitenlandse bedrijven stage lopen. Quanjer: 'Dit beleid gaat lijnrecht tegen onze oorspronkelijke bedoelingen in omdat wij vonden dat de buitenlandse stages in gerenommeerde onderzoeksinstituten juist het grote winstpunt van BW vormden. We konden er echter niets tegen doen'."

"Is BW een teleurstelling? Quanjer: 'Nee, BW-ers zijn goede onderzoeksters; niet voor niets krijgt tachtig procent aan aio-plaats. Maar dat is natuurlijk niet was ons in het begin voor ogen stond. Wij wilden dat mensen ook in het bedrijfsleven banen zouden vinden'."

In de aflevering van Mare van 30 maart 1995 is onder het kopje "Biomedische Wetenschappen" de navolgende ingezonden brief geplaatst van klager, M. Giphart en C. van Kan.

"In Mare 26 staat een artikel opgenomen waaruit blijkt, dat na tien jaar de studie biomedische wetenschappen op zeer belangrijke punten faalt: een zeer groot aantal afgestudeerden gaat het onderzoek in als aio, een bijzonder klein percentage vindt een betrekking in het bedrijfsleven. De journalist heeft bij ook niet-geciteerde ondervraagden de reactie opgeroepen dat Barbertje moest hangen. Dat biomedische wetenschappen altijd een onderzoekersopleiding is geweest, dat er geen sprake van was dat beoogd werd een groot percentage in 'het bedrijfsleven' af te zetten, dat het bedrijfsleven wat groter is dan alleen de farmaceutische industrie, dat de afgestudeerden in deze studierichting gemakkelijker dan zovele anderen een betrekking vinden, het mocht allemaal niet baten. Gesuggereerd wordt dat het bedrijfsleven biomedische wetenschappers versmaadt, maar het bedrijfsleven is niet ondervraagd. Het is te betreuren dat journalisten met zo'n groot vooroordeel het publiek mogen voorlichten."

Deze brief is voorzien van het volgende naschrift.
"Alle feiten en conclusies die in het artikel naar voren komen, berusten op citaten van de betrokkenen zelf en op cijfermateriaal dat door hen is verstrekt. Bovendien hebben de briefschrijvers het artikel van tevoren gelezen en geaccordeerd."

De standpunten van partijen

De Raad vat de bezwaren van klager samen als volgt.
1. Het artikel geeft een onjuist beeld van de doelstelling en de activiteiten van de opleiding doordat betrokkene Damen gewerkt heeft vanuit een negatief vooroordeel. Dit blijkt uit de tekst van het artikel en met name uit de kop.
2. Het is niet juist dat hij de tekst van het artikel heeft geaccordeerd. In zijn reactie op de tekst heeft hij laten weten het juist niet eens te zijn met de inhoud. Hij kon echter de publikatie niet tegenhouden.
3. Zoals blijkt uit de ingezonden brief is het nimmer de bedoeling geweest een groot percentage van afgestudeerden in de Biomedische Wetenschappen af te zetten in het bedrijfsleven. De studie is er altijd op gericht geweest onderzoekers op te leiden. Daaraan voldeed en voldoet de opleiding nog steeds.
4. Het naschrift bij de ingezonden brief wekt ten onrechte de indruk dat klager zich vooraf accoord heeft verklaard met de tekst van het artikel.
5. De redactieraad heeft ten onrechte niet gereageerd op de brieven van klager over de gang van zaken.

Betrokkenen hebben geantwoord dat de conclusies uit het artikel gebaseerd zijn op informatie van klager zelf en andere betrokkenen. Dit blijkt uit de citaten in het artikel. Betrokkene Damen ontkent dan ook dat zij heeft gewerkt vanuit een vooroordeel.

Betrokkene Damen acht zich niet verantwoordelijk voor de kop boven het artikel en het naschrift. Overigens stelt zij dat klager het artikel wel degelijk tevoren heeft gezien. In zijn reactie heeft hij een aantal feitelijke onjuistheden rechtgezet. Betrokkene Damen erkent dat klager overigens te kennen gaf het niet eens te zijn met het artikel.

Beoordeling van de klacht

De teneur van het aangevallen artikel is dat de resultaten van de opleiding in de Biomedische Wetenschappen niet spoort met de opzet. Naar het oordeel van de Raad vindt deze strekking steun in de mededelingen van klager zelf. Dit blijkt uit de in het artikel opgenomen citaten, tegen de inhoud waarvan klager geen bezwaar heeft gemaakt. De klacht dat betrokkene Damen vanuit een negatief vooroordeel een onjuist beeld heeft geschetst van de studie Biomedische Wetenschappen acht de Raad dan ook niet gegrond.

Wel gegrond acht de Raad de bezwaren tegen de kop boven het artikel en de inleiding. Deze zijn kennelijk gebaseerd op de mededeling van één enkele anoniem gehouden student "dat bedrijven veel liever artsen aannemen". Dit citaat rechtvaardigt de algemeen gestelde, negatieve bewerking uit de kop niet.

Ook de bezwaren tegen het naschrift onder de ingezonden brief acht de Raad gegrond omdat het naschrift ten onrechte stelt dat klager het artikel geaccordeerd zou hebben terwijl hij het alleen gezien heeft zonder in te stemmen met de inhoud.

Beslissing

De Raad acht de klacht gegrond voor zover deze zich richt tegen de hoofdredactrice van Mare, die verantwoordelijk is voor de kop boven en de inleiding van het artikel alsmede voor het naschrift bij de ingezonden brief. Voor het overige acht de Raad de klacht ongegrond.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 6 oktober 1995 door mr P.J. Boukema, voorzitter, mr G. Dullens, mr E.C.M. Jurgens, mw A.G. Scherphuis en mr A.J. Heerma van Voss, leden, in tegenwoordigheid van mw mr A.C.M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1995, 24.