1995/22 gegrond

Marcel Metze tegen Fons de Poel, Steven de Vogel en Ton F. van Dijk

In een brief van 5 april 1995 met 9 bijlagen heeft Marcel Metze (klager) een klacht ingediend tegen Fons de Poel, hoofdredacteur van het KRO televisieprogramma Brandpunt, Steven de Vogel en Ton van Dijk (betrokkenen). In een brief van 10 mei 1995 met 11 bijlagen hebben Ton van Dijk en Steven de Vogel op de klacht geantwoord.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 6 oktober 1995. Met uitzondering van Fons de Poel waren partijen in persoon aanwezig.

De feiten

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.

Klager is freelance journalist en heeft een boek geschreven over de problemen rond de verkiezingscampagne van het CDA eind 1993 en begin 1994. Dit boek is op 17 maart 1995 onder de titel "De Stranding" verschenen. Bij de voorbereiding van dat boek is contact ontstaan tussen klager en de redactie van het KRO televisieprogramma Brandpunt. Dit contact leidde tot een overeenkomst van 2 februari 1995 tussen klager en de redactie van Brandpunt in de personen van Ton van Dijk en Steven de Vogel.

In die overeenkomst worden afspraken tussen partijen vastgelegd over de uitzending van Brandpunt op 17 maart 1995, de dag waarop het boek van klager zal uitkomen.
De overeenkomst houdt in dat klager materiaal ter voorbereiding van de uitzending aan Brandpunt ter beschikking zal stellen, maar dat Brandpunt daarvan in de uitzending alleen gebruik mag maken met voorafgaande toestemming van klager. De overeenkomst houdt voorts in dat klager met betrekking tot zijn boek een publikatie-embargo zal uitvaardigen tot 17 maart 1995 14.00 uur en dat hij de tekst van zijn boek pas aan andere media(-vertegenwoordigers) zal overhandigen bij het verstrijken van het embargo. Alleen Jan Hoedeman van de Volkskrant, die als meelezer optreedt, krijgt de tekst vooraf, maar hij zal aan het embargo worden gehouden.

Bij het door klager aan Brandpunt ter beschikking gestelde materiaal bevinden zich een aantal brieven van de toenmalig premier Lubbers aan derden met daarop de vermelding "cc. H.M." en "cc. H.M. (hele dossiertje)". De redactie van Brandpunt verkreeg van klager geen toestemming in de uitzending melding te maken van deze aantekeningen op die brieven.

In de Volkskrant van 17 maart 1995 is vóór het verstrijken van het afgesproken embargo-tijdstip een artikel verschenen van Jan Hoedeman over het boek van klager. In de Brandpunt-uitzending van die avond hebben betrokkenen vervolgens de brieven van premier Lubbers met bovenbedoelde aantekeningen gebruikt en in beeld gebracht.

De standpunten van partijen

De klacht van klager houdt in dat de redactie van Brandpunt de overeenkomst van 2 februari 1995 heeft geschonden door het gebruiken en in beeld brengen van de bovengenoemde brieven met aantekeningen van de toenmalige premier Lubbers met als gevolg dat zijn reputatie van betrouwbaar en integer journalist is aangetast. Klager heeft er op gewezen dat hij als research-journalist en auteur van boeken over Philips en de grote banken een reputatie van betrouwbaarheid heeft opgebouwd, hetgeen een voorwaarde is om vertrouwelijke informatie over gevoelige zaken te verkrijgen. De relatie tussen klager en een van zijn bronnen is in gevaar gebracht door de handelwijze van Brandpunt. Klager acht die handelwijze daarom onzorgvuldig jegens hem, te meer nu Brandpunt geweigerd heeft excuses aan te bieden.

Klager is van oordeel dat hij van zijn kant alles heeft gedaan om de naleving te waarborgen van het publikatie-embargo met betrekking tot zijn boek. Met de journalist Jan Hoedeman, de auteur van het stuk in de Volkskrant, sloot hij daarover een aparte overeenkomst. Klager meent dat de schending van de overeenkomst door Hoedeman hem niet kan worden aangerekend.

Het is juist dat het boek tijdens het embargo aan de boekhandel ter beschikking werd gesteld. Dat is in dergelijke situaties gebruikelijk en heeft verder niet tot schending van het embargo geleid.

Betrokkenen hebben geantwoord dat naar hun mening de overeenkomst van 2 februari 1995 op vitale onderdelen door klager zelf is geschonden.

1. Jan Hoedeman publiceerde over het boek in de Volkskrant van die ochtend. Brandpunt wist dat Jan Hoedeman als mee-lezer vóór het verstrijken van het embargo van de inhoud van het boek op de hoogte was. Echter, klager heeft zich tegenover Brandpunt sterk gemaakt voor Hoedeman. Brandpunt is dan ook van mening dat de schending van het embargo door Hoedeman aan klager is toe te rekenen. Uit niets is gebleken dat klager alles in het werk heeft gesteld om schending van het embargo door Hoedeman te voorkomen of dat hij hem na die schending daarop serieus heeft aangesproken. Klager heeft in tegendeel de indruk gewekt dat hij deze schending niet zo hoog opnam.

2. Na het uitkomen van de Volkskrant op 17 maart 1995 berichtte ook het ANP om 08.34 uur over het boek. Desgevraagd bleek dat het ANP al sinds de dag ervoor over het boek beschikte. Ook dit was in strijd met de overeenkomst.

De schending van de overeenkomst van 2 februari 1995 door klager bracht naar de mening van Brandpunt mee dat ook Brandpunt niet meer aan de inhoud van die overeenkomst was gebonden. Het gevolg van de embargo-schending was voor Brandpunt vérstrekkend omdat Brandpunt hierdoor niet meer de primeur had met betrekking tot de inhoud van het boek. De uitzending sloot aan op het boek door in verband daarmee een aantal personen uit de kringen van en rond het CDA in de uitzending te horen en door het tonen van beelden met betrekking tot het boek. De redactie heeft vervolgens een eigen afweging gemaakt van de maatschappelijke relevantie van de brieven met de aantekeningen "cc. H.M." en "cc. H.M. (hele dossiertje)". De redactie achtte het belang van het openbaar maken hiervan zo groot dat zij hiertoe besloot ondanks de mogelijke nadelige gevolgen hiervan voor de relatie van klager met zijn bron. Voor Brandpunt gold daarbij dat de redactie met die bron (klager had Brandpunt overigens wel meegedeeld om wie het ging) geen rechtstreekse relatie had. Voor Brandpunt gold uitsluitend klager als bron.

Beoordeling van de klacht

De verhouding tussen partijen met betrekking tot het moment van publikatie van klagers boek enerzijds en de daarmee verband houdende uitzending van Brandpunt anderzijds op 17 maart 1995 werd beheerst door de overeenkomst van 2 februari 1995. Ter beantwoording staat allereerst de vraag of die overeenkomst door klager is geschonden. Klager heeft zich tegenover betrokkenen verplicht de definitieve tekst van het boek pas aan andere media-vertegenwoordigers te overhandigen bij het verstrijken van het embargo met uitzondering van de journalist Jan Hoedeman, die echter wel door klager aan het embargo zou worden gehouden. Deze verplichting hield in dat klager alle maatregelen moest nemen om te zorgen dat andere media-vertegenwoordigers ook niet op een andere manier dan door overhandiging van het boek zelf van de inhoud op de hoogte zouden kunnen raken. Door het boek voor de afloop van het embargo te verspreiden heeft klager schending van het embargo in de hand gewerkt, daargelaten in hoeverre klager, behalve door het sluiten van een overeenkomst met Jan Hoedeman met het oog op het embargo meer had kunnen of moeten doen om deze van embargo-schending af te houden.
De Raad is op grond hiervan van oordeel dat de redactie van Brandpunt redenen had om klager verwijten te maken ten aanzien van de op 17 maart 1995 gebleken embargo-schending.
Dat leidt tot de vraag of dit de redactie een vrijbrief gaf zonder toestemming van klager in de uitzending gebruik te maken van materiaal ten aanzien waarvan deze eerder zijn toestemming uitdrukkelijk had onthouden, te weten de brieven met aantekeningen van de toenmalige premier Lubbers.

De Raad overweegt daarbij dat de maatschappelijke relevantie van dit materiaal evident was zodat de wens van Brandpunt om hiervan in de uitzending gebruik te maken begrijpelijk is. De overeenkomst met klager hield echter nu eenmaal in dat Brandpunt voor dat gebruik afhankelijk was van de toestemming van klager. Hoewel de overeenkomst dat niet met zoveel woorden vermeldt, moet het voor Brandpunt duidelijk zijn geweest dat klager die voorwaarde stelde niet alleen omdat hij de zeggenschap wilde behouden over door hem verworven materiaal maar ook ter bescherming van zijn relatie met zijn bron. Klager had dus hoe dan ook een te rechtvaardigen belang bij deze voorwaarde.

Hoewel de schending van de overeenkomst van 2 februari 1995 door klager indirect wel degelijk aan hem is toe te rekenen, is de Raad toch van oordeel dat de redactie van Brandpunt een onjuiste afweging heeft gemaakt. Brandpunt had desondanks het belang van klager bij naleving van de overeenkomst zwaarder moeten laten wegen dan de wens om in de uitzending gebruik te maken van de brieven van oud-premier Lubbers waar het in deze zaak om gaat. Immers, het belang van de Brandpunt-uitzending werd door het Volkskrant-artikel van dié ochtend nauwelijks aangetast omdat de Brandpunt-uitzending zijn meerwaarde ontleende aan interviews met betrokkenen uit de kringen van het CDA naar aanleiding van hetgeen in het boek werd beschreven. Daarin bracht het artikel in de Volkskrant geen verandering. Ook zonder dat artikel gold overigens dat het boek zelf op 17 maart na 14.00 uur en dus vóór de televisie-uitzending al openbaar was.

Beslissing

Op grond van al het bovenstaande acht de Raad de klacht gegrond.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 6 oktober 1995 door mr P.J. Boukema, voorzitter, mr G. Dullens, mr E.C.M. Jurgens, mw A.G. Scherphuis en mr A.J. Heerma van Voss, leden, in tegenwoordigheid van mw mr A.C.M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1995, 22.