1995/20 ongegrond

Th.G. Baalman tegen de Hoofdredacteur van de Gooi- en Eemlander,Evert van Tijn en Harry Homma

In een brief van 15 juni 1995 met negen bijlagen heeft Th.G. Baalman te Kortenhoef (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van de Gooi- en Eemlander, Evert van Tijn en Harry Homma (betrokkenen). Namens dezen heeft J.H. van Zenderen, hoofdredacteur van de Gooi- en Eemlander op de klacht gereageerd in een brief van 25 juli 1995.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 4 september 1995. Betrokkenen hebben geen gebruik gemaakt van de gelegenheid hun standpunt mondeling toe te lichten. Klager was in persoon aanwezig.

De feiten

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.
In een bijdrage aan de aflevering van 3 april 1995 van het te Hilversum en omgeving verschijnende huis-aan-huis blad de Triangel heeft klager een jeugdherinnering beschreven aan de joodse voddenman Japie Meijer. In de aflevering van 19 april van de Triangel heeft W.J. Kozijn, burgemeester van 's-Graveland, excuses van klager geëist over de naar zijn mening in diens bijdrage voorkomende anti-semitische uitlatingen. In dezelfde aflevering van de Triangel heeft betrokkene op die open brief geantwoord. Betrokkene bestrijdt dat hij zich schuldig maakt aan anti-semitisme. Hij maakt op historische gronden een onderscheid tussen echte en onechte joden. Dat is naar de mening van klager iets anders dan anti-semitisme.

In de Gooi- en Eemlander van 13 april, 20 april, 25 april, 2 mei en 26 mei 1995 wordt verslag gedaan van het verloop van deze controverse en het uitmonden daarvan in een klacht bij de Raad voor de Journalistiek. Deze verslagen zijn van de hand van betrokkene Evert van Tijn. In die verslagen wordt burgemeester Kozijn aangehaald met de termen "misselijkmakende, anti-semitische kletspraat" en "anti-semitische borrelpraat".

In de Gooi- en Eemlander van 26 april 1995 is onder de kop "Waakzaamheid" een column gepubliceerd van Harry Homma. Deze column bevat de volgende passage.

"Wie een publikatie in het Kortenhoefse huis-aan-huisblad Triangel van enkele weken geleden onder ogen kreeg, sloeg de schrik om het hart. Ene mijnheer Baalman meende vlak voor de vijftigste herdenking zich te buiten te kunnen gaan aan antisemitische kletspraat, geheel in de lijn van het nazi-regime. Terecht ondernam burgemeester Kozijn van 's-Graveland actie. In een open brief eiste hij rectificatie en excuses van de auteur aan alle joodse medeburgers en vroeg hij de uitgever zich van het schrijfsel te distantiëren. Betrof het een incident? Helaas niet. In plaats van zich van het stuk te distantiëren, biedt de redactie van de Triangel weliswaar een soort excuus aan. Doch elders in het blad krijgt Baalman -in een reactie op de brief van burgemeester Kozijn- opnieuw de gelegenheid de meest weerzinwekkende antisemitische rotzooi over de lezers uit te storten.
Een aantal mensen zal wellicht de schouders ophalen over dit geschrijf. Men zal denken: die Baalman is niet goed bij zijn hoofd. Als deze mijnheer niet een fervente antisemiet is, dan is deze conclusie juist. Maar het blijft onduldbaar dat dergelijke beledigende waanzin bij herhaling via een gedrukt medium wordt verspreid."

Klager zond op 13 april 1995 een ingezonden brief aan de Gooi- en Eemlander, die ondanks een herhaald verzoek van 30 april 1995 niet werd opgenomen. Op 1 mei zond hij een nieuwe ingezonden brief, die eveneens niet werd opgenomen.

De standpunten van partijen

Het bezwaar van klager richt zich voor wat betreft de verslaggeving tegen het feit dat een aantal kwalificaties zoals "misselijkmakende antisemitische kletspraat" en "antisemitische borrelpraat" klakkeloos zijn overgenomen zonder hem wederwoord te gunnen. Hetzelfde geldt voor de column van Harry Homma. "Zo sta ik ten onrechte in het Gooi, het verschijningsgebied van de Gooi- en Eemlander, te boek als racist en anti-semiet, wat ik beslist niet ben."
Klager acht het ook onbehoorlijk dat hij in de kop aangeduid wordt als "Baalman", in plaats van dat hij met twee woorden werd aangeduid. Hij acht het laakbaar dat de Gooi- en Eemlander zijn gewraakte artikel uit de Triangel en zijn verweer daarop niet heeft afgedrukt.

Betrokkenen hebben geantwoord dat in de verslaggeving van Evert van Tijn uitsluitend kwalificaties van burgemeester Kozijn en andere betrokkenen staan opgetekend. Van Tijn heeft klager telefonisch om commentaar gevraagd. Hem is dus wel de gelegenheid tot weerwoord gegeven. In de column van Harry Homma worden de denkbeelden van klager bekritiseerd. Gezien de ernst van de zaak waar het om gaat mocht hij dat doen in scherpe bewoordingen.

De brieven van klager van 13 april en 1 mei 1995 werden niet geplaatst omdat de hoofdredacteur voor het plaatsen van ingezonden brieven medeverantwoordelijkheid draagt. Die wenste deze voor die brieven niet te nemen, te meer daar klager door Evert van Tijn al in de gelegenheid was gesteld om weerwoord te geven en omdat aan klager naar aanleiding van talloze eerdere ingezonden brieven op 7 april 1994 schriftelijk is meegedeeld dat de redactie verstoken wenst te blijven van "zijn anti-semitische geschriften".

Beoordeling van de klacht

De bezwaren van klager tegen de verslaggeving in De Gooi- en Eemlander acht de Raad ongegrond. De in deze artikelen voorkomende kwalificaties zijn niet van de verslaggever zelf maar zijn door hem opgetekend uit de mond van anderen. Voor het overige bevatten deze verslagen slechts een weergave van de feitelijke gebeurtenissen rond de protesten tegen de stukken van klager in de Triangel van 3 en 19 april 1995. Dat klager in de column van Harry Homma bestempeld wordt als anti-semiet valt naar het oordeel van de Raad binnen het recht van vrije meningsuiting van de columnist over de artikelen van klager, die voor dit oordeel alleszins aanleiding geven. De bezwaren tegen deze column acht de Raad daarom eveneens ongegrond.

Daargelaten de vraag of in dit geval het plegen van wederhoor wel nodig was, hebben betrokkenen in dat opzicht voldoende gedaan door klager telefonisch om commentaar te vragen. Betrokkenen hebben niet onzorgvuldig gehandeld door klagers ingezonden stukken niet op te nemen en door de oorspronkelijke publikaties uit de Triangel niet in De Gooi- en Eemlander af te drukken. Dat klager in een aantal berichten alleen met zijn achternaam werd aangeduid is in dergelijke berichtgeving gebruikelijk en algemeen geaccepteerd. De bezwaren hiertegen acht de Raad derhalve eveneens ongegrond.

Beslissing

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen deze beslissing integraal of in samenvatting in de Gooi- en Eemlander te publiceren.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 4 september 1995 door mr P.J. Boukema, voorzitter, mr B.A. Schmitz, drs K.J. van der Zande, mw A. Koerts en W.H.K. Ammerlaan, leden, in tegenwoordigheid van mw mr A.C.M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1995, 20.