1994/23 deels-gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van

 

H. Bollegraaf

tegen

Ruud van Haastrecht

 

In een brief van 19 september 1994 met 1 bijlage heeft H. Bollegraaf te Appingedam (klager) een klacht ingediend tegen Ruud van Haastrecht (betrokkene). Deze heeft op de klacht gereageerd in een brief van 11 oktober 1994 met als bijlage een brief van dezelfde datum van J.J. Timmers  van de hoofdredactie van Trouw. Op verzoek van klager heeft R.A. Stein, voorzitter van de Stichting Bestrijding Antisemitisme in een brief van 15 november 1994 met 1 bijlage als deskundige op het gebied van bestrijding van antisemitisme zijn mening over de klacht gegeven.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 25 november 1994. Klager was in persoon aanwezig, samen met zijn zoon. Als getuige-deskundige was aanwezig R.A. Stein van Stiba. Betrokkene is eveneens in persoon verschenen samen met J.J. Timmers.

 

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.

In de aflevering van het dagblad Trouw van 13 september 1994 is onder de kop “Jood” een stukje gepubliceerd van de betrokkene Van Haastrecht. De volledige tekst van dit stukje wordt hieronder overgenomen.

“Twee verhalen gehoord in één weekeinde. Het eerste verhaal komt uit het noorden. Het gaat over een joodse handelaar in oud ijzer in het Groningse Appingedam. Met z’n eigen handen bouwde hij na de oorlog een succesvol bedrijfje op. In heel de provincie is zijn handigheid en goede kijk op machines bekend. Laatst werd hij nog ingeschakeld door het regionale Nieuwsblad van het Noorden, die z’n visie wilde weten over een nieuwe, revolutionaire machine. Hij keurde het apparaat niet goed genoeg en gaf aan waarom. De fabrikant van de machine kan het nu in de provincie Groningen wel vergeten. Want de Groningers weten, deze man heeft er kijk op. ‘Het is een handige jood’, wordt er achter zijn rug om gefluisterd. Want joden zijn handig, nietwaar? Er gaan nog meer verhalen over de handige ijzerhandelaar. Dat hij zo succesvol in zaken is, verbaast de Groningers niet. ‘Ach, het is een jood, hè’, zingt het in de goegemeente rond. En joden zijn handig in zaken, nietwaar? Laatst heeft de ijzerhandelaar voor hem en zijn niet-joodse vrouw een huis laten bouwen voor het moment dat ze van hun welverdiende rust kunnen gaan genieten. Hij heeft er één extra etage bovenop laten zetten, voor als ze zelf niet meer goed uit de voeten kunnen. Op dat moment kan er iemand bij hen komen wonen voor de verzorging. ‘Slim’, fluistert de goegemeente, die zelf nooit op zoiets gekomen zou zijn. ‘Tsja, het is een jood hè’. En die zijn slim, nietwaar? Minder slim is zijn zoon. Op school was het geen uitblinker. Sinds enige tijd werkt hij bij zijn vader op de zaak en gaat het bedrijf overnemen. De goegemeente heeft er het volste vertrouwen in. ‘Die redt het wel. Het is een jood, heè. En joden redden zich toch altijd, nietwaar?

Het andere verhaal komt uit het oosten. Het Sallandse koffietafelgesprek komt op een gegeven moment op de Verenigde Staten. ‘Ach’, zegt de gesprekspartner, een vakbondsman en die kan het weten, ‘in Amerika hebben de joden het hele bedrijfsleven in handen. Die joden zitten altijd in zaken’.

Twee verhalen anno 1994 uit ‘de Mediene’, zoals in joodse kring de rest van Nederland buiten Mokum wordt aangeduid. Waar sinds 1945 van het joodse leven weinig meer rest dan Israëlitische begraafplaatsen en een enkele synagoge hier en daar. Ik dacht altijd, als naoorlogs kind, dat iedereen daarvan geleerd had. Niets blijkt minder waar.”

 

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager heeft tegen de publicatie de volgende bezwaren geformuleerd.

  • “Alle persoonlijke gegevens over de familie hadden als doel om zonder een naam te hoeven noemen en onder de dekmantel van de goegemeente, mijn persoonlijke levensomstandigheden en mijn manier van zakendoen op een antisemitische manier met mijn joods-zijn te verbinden.”
  • “De heer Van Haastrecht had moeten beseffen dat de volstrekt overbodige persoonlijke informatie over mijn familie van dien aard was dat deze mijn persoonlijke levenssfeer en mijn goede naam als zakenman en die van mijn zoon in de regio Appingedam zou kunnen aantasten.”
  • “De heer Van Haastrecht heeft nagelaten het vermeende antisemitisme van de zogenaamde goegemeente te onderzoeken, geen poging gedaan een en ander met de desbetreffende familie op te nemen, zijn bron anoniem gelaten zodat er journalistieke ruimte is geschapen een antisemitisch verhaal over mijn familie te publiceren onder het mom het antisemitisme aan de kaak te stellen.”

Betrokkene heeft geantwoord dat hij de column, die door wisselende redacteuren op de vaste pagina “Mensen” wordt verzorgd, heeft gebruikt om zijn woede kenbaar te maken tegen blijkbaar nog steeds bestaand antisemitisme. De aanleiding was dat hij in één weekeinde tweemaal met verhalen met een antisemitische strekking werd geconfronteerd. De uitspraken, die betrekking hebben op klager, zijn hem niet rechtstreeks ter ore gekomen maar aan hem meegedeeld door twee zegslieden. Het is zijn bedoeling geweest het bestaan van deze antisemitische stromingen aan de kaak te stellen. Naar zijn mening was het verder anoniem maken van klager niet mogelijk omdat zijn stuk dan te algemeen zou worden.

 

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Ongeacht de vraag of de in de column opgetekende uitspraken zelf antisemitisch zijn of bestaan uit vooroordelen is de Raad van mening dat de gewraakte publicatie niet beschouwd kan worden als antisemitisch nu uit het slot onmiskenbaar blijkt dat betrokkene juist de bedoeling heeft gehad antisemitisme aan de kaak te stellen. De Raad neemt daarbij in overweging dat ook de Stiba van oordeel is dat de publicatie niet antisemitisch is.

Hoewel de Raad voorts van oordeel is, dat een columnist niet onder alle omstandigheden gehouden is alle feiten te verifiëren als betrof het een nieuwsbericht, acht de Raad het onderdeel van de klacht dat betrekking heeft op de persoonlijke levenssfeer van klager wel gegrond.

Klager - een bekende persoonlijkheid in een betrekkelijk kleine gemeenschap - is in de column beschreven als het herkenbare object van negatieve uitspraken. De Raad is van oordeel dat betrokkene de herkenbaarheid van klager had behoren te vermijden, temeer nu dat voor het beoogde doel van zijn stuk weinig verschil zou maken en nu hij het verhaal bovendien heeft opgetekend uit de tweede hand, zonder te verifiëren of de meegedeelde uitspraken inderdaad in deze vorm ten aanzien van de herkenbare klager worden gedaan.

 

BESLISSING

De Raad is van oordeel dat de onder de punten 1 en 3 geciteerde onderdelen van de klacht ongegrond zijn. Met betrekking tot punt 2 van de klacht is de Raad van oordeel dat betrokkene de grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op zijn journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is door negatieve uitspraken met betrekking tot klager zodanig weer te geven dat hij daaruit herkenbaar is, zulks terwijl dit voor het beoogde doel van de publicatie (het aan de kaak stellen van antisemitisme) niet nodig was.


De Raad verzoekt betrokkene deze publicatie integraal of samengevat in Trouw te publiceren.

 

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 25 november 1994 door mr P.J. Boukema, voorzitter, mw mr T. Faber-de Heer, mr B.A. Schmitz, mr A.J. Heerma van Voss en J.M.P.J. Verstegen, leden, in tegenwoordigheid van mw mr A.C.M. Karsten, secretaris.