1995/2 onthouding oordeel

Bond tegen het Vloeken tegen J. Spijkerman

In een brief van 21 oktober 1994 heeft drs. R. van de Poll, directeur van de Bond tegen het Vloeken namens de bond (klaagster) een klacht ingediend tegen Jack Spijkerman (betrokkene). Deze heeft op de klacht gereageerd in een brief van 7 december 1994. Klaagster heeft gerepliceerd in een brief van 12 december 1994.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 30 januari 1995. Klaagster werd vertegenwoordigd door haar directeur Van de Poll, betrokkene was in persoon aanwezig. Ter zitting is het bandje van de radio-uitzending waar het om gaat afgedraaid.

De feiten

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.

Betrokkene is de presentator van het VARA-radioprogramma 'Steen en Been Show'. In de uitzending van dit programma van 17 juni 1994 is een telefoongesprek uitgezonden dat betrokkene die dag voerde met klaagster. Het opgenomen gesprek werd gebruikt om de Bond tegen het Vloeken te bestempelen als 'knuppels van de week', een vast onderdeel van het programma van betrokkene.

De standpunten van partijen

Het bezwaar van klaagster is dat het telefoongesprek met haar directeur Van de Poll werd uitgezonden zonder voorafgaande toestemming. De directeur wist via leden van de Bond wel dat betrokkene een radioprogramma presenteert waarin veel wordt gevloekt. Hij dacht dat betrokkene met zijn telefoongesprek terug kwam op correspondentie van een jaar eerder. Het had ook gekund dat betrokkene belde naar aanleiding van door leden toegezonden materiaal over het werk van de Bond. Hij heeft in ieder geval niet begrepen dat het telefoongesprek was bedoeld voor uitzending. Zou hij dat wel begrepen hebben dan zou hij zeker daarvoor geen toestemming hebben gegeven.
"Achteraf is het natuurlijk vrij logisch dat de heer Spijkerman mij geen toestemming vroeg om mee te werken aan zijn programma. Blijkens de uitzending had hij mij en de medewerkers van de Bond tegen het Vloeken namelijk voorbestemd om als "knuppels van de week" dienst te doen in zijn "Steen en Been Show". Omdat hij kennelijk wel weet dat niemand er vrijwillig aan meewerkt om belachelijk te worden gemaakt heeft hij mij telefonisch overvallen. Zonder voorafgaande informatie over zijn bedoelingen, heeft hij mij vervolgens voor schut gezet in zijn later op die dag uitgezonden radioprogramma. De handelwijze van de heer Spijkerman heb ik als zeer unfair ervaren."

Het radioprogramma werd door de bond opgenomen op een bandje. Op dat bandje is ook niet te horen dat hem in het telefoongesprek toestemming werd gevraagd om het gesprek op te nemen en uit te zenden.

Betrokkene heeft geantwoord dat hij in het begin van het telefoongesprek wèl kenbaar heeft gemaakt dat het gesprek bedoeld was voor de uitzending. Dat doet hij altijd.

Dit gedeelte van het telefoongesprek is bij de montage voor het programma weggelaten. Hij begint dergelijke telefoongesprekken altijd als volgt: "Met Spijkerman van de Steen en Been Show. Mag ik u iets vragen voor de uitzending van vanmiddag?".

Beoordeling van de klacht

Het gaat bij deze klacht om de vraag of betrokkene toestemming heeft gevraagd en verkregen om het met klaagsters directeur gevoerde telefoongesprek uit te zenden. De Raad heeft niet kunnen vaststellen of dit wel of niet is gebeurd. De Raad moet zich daarom in deze zaak van een oordeel over de klacht onthouden.

Overigens is de Raad van oordeel, dat een inleiding als hierboven is weergegeven, niet voldoende is om toestemming te verkrijgen tot uitzending van het telefoongesprek. De vraagstelling moet zo zijn dat de ander begrijpt dat het gesprek uitgezonden wordt. Dat is bij de vraagstelling "mag ik u iets vragen voor de uitzending van vanmiddag" niet het geval omdat dit ook kan betekenen "ter voorbereiding van de uitzending".

Beslissing

De Raad onthoudt zich van een oordeel over de klacht.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 30 januari 1995 door mr P.J. Boukema, voorzitter, W.F. de Pagter, mr E.C.M. Jurgens, mr D.T. Dalmolen en W.H.K. Ammerlaan, leden, in tegenwoordigheid van mr A.C.M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1995, 2.