1995/17 deels gegrond

Francis R. tegen M. Fröberg en B. Nijpels

In een brief van 31 januari 1995 met zes bijlagen heeft mr M.J. Resink te Amsterdam namens Francis R.(klager) een klacht ingediend tegen M. Fröberg en B. Nijpels (betrokkenen). In een, mede door F. de Poel, eindredacteur van het KRO-televisieprogramma Brandpunt, ondertekende brief van 16 maart 1995 hebben dezen op de klacht gereageerd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 15 mei 1995.
Klager was in persoon aanwezig met zijn advocaat mr M.J. Resink. Van de zijde van betrokkenen zijn verschenen B. Nijpels en F. de Poel, bijgestaan door mr B. Snijder, dienst Juridische Zaken van de NOS.

De klacht

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten. In juni 1994 werd de toen net 18 jaar geworden Mohammed B. door de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf en dwangverpleging wegens de moord op een winkelier in tabaksartikelen in Amsterdam-Oost in september 1993. Dit misdrijf leidde tot grote beroering en onrust onder de bevolking van met name Amsterdam-Oost.

In de aflevering van het KRO-televisieprogramma Brandpunt van 10 september 1994 werd een documentaire uitgezonden over het leven van de dader Mohammed B. Deze was al eerder betrokken geweest bij een moord. De bedoeling van de documentaire was om aan de hand van de levensloop van Mohammed B. een antwoord te vinden op vragen rond zijn daderschap.

Het commentaar bij de uitzending bevat de volgende fragmenten.
"... maar waar komen die haat en angst dan vandaan. We zoeken naar sporen in zijn pubertijd. In een lang gesprek met zijn jeugdvriend doemt gaandeweg een traumatisch beeld op. Amper 12 jaar oud belandt Mohammed in het pedosexuele circuit."
"En uitgerekend in dit milieu sluit de jonge Mohammed een vriendschap. Voor het eerst neemt hij iemand daadwerkelijk in vertrouwen. Hij trekt in bij de pedofiel Francis R. Maar als die zich sexueel aan hem vergrijpt, stort Mohammed's wereld in."

Genoemde Francis R. komt verder in de uitzending niet voor. Betrokkenen hebben tevergeefs getracht deze tot een gesprek te bewegen door zich een aantal malen te vervoegen aan zijn adres en door daar tweemaal een briefje achter te laten. De tekst van het eerste briefje luidt als volgt.

"Beste Francis, Vanochtend waren wij bij jou aan de deur zoals je weet. Je deed niet open. De zaak is eenvoudig; wij maken een programma over het leven van Mohammed B. We weten dat jij hem goed gekend hebt en dat hij veel bij jou in huis is geweest. Verder weten we dat Mohammed in de pedosexuele circuits verkeerd heeft en dat jij daar ook deel van uit maakt(e). Wij zijn op zich van plan terughoudend met deze informatie om te gaan maar we willen dat daar tegenover staat dat je met ons praat (zonder camera, geluid of wat dan ook). Alleen als je daartoe bereid bent beloven we je anoniem te houden (ook tegen Mohammed).
Dus we verwachten dat je ons vandaag nog belt. KRO-Televisie, Bart Nijpels, Martin Fröberg."

Achter de namen van de ondertekenaars staan drie telefoonnummers vermeld. Het tweede briefje werd enkele dagen later achtergelaten na een gesprek met klager, waaruit betrokkenen was gebleken dat het eerste briefje door deze nog niet was gelezen. De tekst van het tweede briefje luidt als volgt.

"Francis, Gisteravond hebben we elkaar even door het raam gesproken. Jij zou contact met ons opnemen, dat heb je niet gedaan. Jammer. Je moet even je brievenbus legen zodat je ons briefje kan lezen.
Neem in ieder geval contact met ons op!"

Ook dit briefje vermeldt als ondertekenaars de namen van betrokkenen met drie telefoonnummers.

De standpunten van partijen

De bezwaren van klager, Francis R., zijn de volgende.
1. Betrokkenen hebben hem naar zijn mening op onoorbare wijze onder druk gezet om mee te werken aan het geven van informatie door hem in een van de achtergelaten briefjes alleen anonimiteit te garanderen over zijn rol in het leven van Mohammed B. en de pedosexuele circuits waarin deze verkeerd zou hebben, wanneer hij aan het verzoek van betrokkenen zou meewerken. Klager beschouwt deze handelwijze als een vorm van chantage.
2. Klager ontkent dat hij pedosexuele contacten heeft onderhouden met Mohammed B. en hij is van oordeel dat betrokkenen geen grond hadden voor het doen van beschuldigingen daarover in de uitzending.
3. Betrokkenen hebben hem ten onrechte niet anoniem gehouden met als gevolg dat hij is herkend en een aantal malen is lastiggevallen leidend tot fysiek geweld.

Betrokkenen hebben zich als volgt tegen de klacht verweerd.

Zij hebben ter voorbereiding van de documentaire een diepgaand onderzoek ingesteld naar de levensloop van Mohammed B. Met het oog daarop hadden zij contact met familie, vrienden, vroegere leerkrachten, hulpverleners die met hem te maken hadden gehad en anderen. Ook maakten zij gebruik van stukken met betrekking tot de strafzaken waaronder een proces-verbaal en een psychologisch rapport.

Volgens een aantal verklaringen van derden, alsmede volgens verklaringen van Mohammed B. zelf tegenover de politie en opgenomen in de deskundigenrapporten, had Mohammed B. nauwe banden met Francis R., bij wie hij enige tijd in huis had gewoond, verkeerde Francis R. in pedofiele circuits en zou hij Mohammed B. sexueel hebben misbruikt.

De bezwaren van klager achten betrokkenen onterecht.

1. Volgens betrokkenen is er geen sprake geweest van chantage. "In het gewraakte briefje staat niet, dat als R. niet zou meewerken we zijn naam volledig op de televisie zouden brengen. Er staat letterlijk dat we terughoudend met de informatie zouden omgaan. Dat was dus onze intentie en gold dan ook als uitgangspunt voor een gesprek.

Het briefje hield een klemmende oproep in om met ons te praten. Het briefje is hooguit wat ongelukkig geformuleerd maar de bedoeling ervan was enige mate van druk uit te oefenen op R. om ons te woord te staan. Nu de bewijzen tegen hem zo overtuigend waren, vonden wij het van groot belang om ook zijn kant van het verhaal te horen. R. was immers op dat moment door een groot aantal bronnen genoemd als iemand die zich sexueel aan Mohammed B. zou hebben vergrepen, een voor Mohammed B. dramatische ervaring waardoor hij psychische schade opliep.

We wilden R. dan ook de gelegenheid geven om te reageren op die beschuldigingen, zodat wij ook zijn versie van het verhaal mee konden nemen in onze gedachtenbepaling over het leven van Mohammed B."
2. Dat klager in pedofiele circuits verkeert is bevestigd door ten minste vijf mondeling geraadpleegde bronnen waaronder een jeugdvriend van Mohammed B. Blijkens een geraadpleegd proces-verbaal en de deskundigenrapportage was dit ook het geval volgens Mohammed B. zelf. Volgens dezelfde stukken heeft Mohammed B. verklaard dat hij sexueel misbruikt is door klager. De door betrokkene gehoorde jeugdvriend van Mohammed B. heeft bevestigd dat dit de oorzaak zou kunnen zijn van de verwijdering tussen Mohammed B. en klager.
De aangevallen passage uit de uitzending is gebaseerd op dit materiaal en wordt naar de mening van betrokkenen daardoor voldoende gesteund.
3. Wat betreft de anonimiteit van klager, in de uitzending zijn geen beelden of foto's van klager getoond noch van zijn vorige of huidige woon- en/of verblijfplaats. Bij het vermelden van zijn personalia hebben betrokkenen zich beperkt tot de vermelding "Francis R.", een in de journalistiek gangbare terughoudende aanduiding van personen, die verdacht worden van strafbare feiten.

Beoordeling van de klacht

Het eerste onderdeel van de klacht betreft de vraag of betrokkenen klager op onoorbare wijze onder druk hebben gezet om zijn medewerking aan het programma te verkrijgen. De Raad overweegt daarover het volgende.

Gezien de belangrijke rol, die klager volgens de door betrokkenen verzamelde informatie in het leven van Mohammed B. heeft gespeeld acht de Raad het begrijpelijk dat betrokkenen enige druk op klager hebben willen uitoefenen voor het verkrijgen van zijn medewerking aan het programma. De Raad wil aannemen dat betrokkenen niet de bedoeling hebben gehad klager te bedreigen met het openbaar maken van zijn naam in de uitzending. Anderzijds is de Raad echter van oordeel dat het door betrokkenen achtergelaten briefje wel degelijk zo kan worden gelezen dat klager als deelnemer aan pedosexuele circuits rond Mohammed B. met naam en toenaam in de uitzending bekend zou worden gemaakt als hij betrokkenen niet te woord zou staan. De Raad is van oordeel dat betrokkenen hiermee de grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op hun journalistieke verantwoordelijkheid maatschappelijk aanvaardbaar is. Zij hadden klager, die het recht had niet te willen meewerken, niet op deze wijze onder druk mogen zetten. Dit onderdeel van de klacht acht de Raad gegrond.

Klagers tweede bezwaar acht de Raad ongegrond. De Raad is van oordeel dat het bronnenmateriaal waarover betrokkenen de beschikking hadden de conclusie rechtvaardigde dat klager behoorde tot de pedosexuele circuits waarin Mohammed B. op een gegeven moment verkeerde alsmede dat hij Mohammed B. sexueel heeft misbruikt.

De Raad is van oordeel dat betrokkenen de anonimiteit van klager bij het geven van deze conclusie voldoende hebben gewaarborgd. De uitzending bevat geen beelden van klager noch verwijzingen naar zijn identiteit, behalve dat hij één maal is aangeduid "Francis R.", als de in dit soort zaken gebruikelijke afkorting. Aangenomen mocht worden dat de gebruikte aanduiding klager -inwoner van een grote stad- in voldoende mate tegen identificatie zou beschermen. Het enkele feit dat klager desondanks in een kleine kring van ingewijden is herkend doet hieraan niet af.

Beslissing

De Raad acht de klacht gegrond in onderdeel 1 en voor het overige ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen deze beslissing integraal of in samenvatting te vermelden in een van de televisie-uitzendingen van de KRO.

Aldus vastgesteld door de Raad op 14 augustus 1995 door mr P.J. Boukema, voorzitter, mr L. van Vollenhoven, mr G. Dullens, K. Wiese en H. van Gessel, leden, in tegenwoordigheid van mr A.C.M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1995, 17.