1995/15 deels gegrond

N. de Roy-Boorsma tegen de hoofdredactie van Eindhovens Dagblad

Met een brief van 6 maart 1995 met twee bijlagen heeft mevrouw N. de Roy-Boorsma te Helmond (klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredactie van het Eindhovens Dagblad (betrokkene).
De hoofdredacteur van het Eindhovens Dagblad, de heer J. van der Hart, heeft daarop gereageerd met een brief van 1 mei 1995. Klaagster heeft vervolgens gerepliceerd bij brief van 15 juni 1995.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 23 juni 1995. Partijen zijn op die zitting niet verschenen.

De feiten

Op 30 juni 1994 werd in een flat in Helmond het stoffelijk overschot aangetroffen van een vrouw. In het Eindhovens Dagblad verscheen op 1 juli 1994 een bericht hierover, waarin werd vermeld dat het vermoedelijk ging om de bewoonster van de flat, mevrouw J. de Roy. De identiteit van de vrouw stond op dat moment nog niet officieel vast. De volgende dag berichtte het Eindhovens Dagblad dat de vrouw door een misdrijf om het leven was gekomen, waarbij volledige naam, leeftijd, straat en de naam van het flatgebouw werden vermeld. In oktober 1994 heeft een verslaggeefster van betrokkene contact gezocht met de ouders van het slachtoffer. Zij lieten weten daar geen prijs op te stellen. Eind november 1994 werd klaagster, de moeder van het slachtoffer, door de politie op de hoogte gesteld van het voornemen van het Eindhovens Dagblad om over de zaak een artikel te plaatsen. Klaagster heeft telefonisch contact opgenomen met de redactie en laten weten dat zij daar bezwaren tegen had. Op 3 december 1994, het misdrijf was toen nog niet opgelost, verscheen het artikel met de kop 'Een puzzel met nog veel ontbrekende stukjes' ter grootte van een halve pagina in het Eindhovens Dagblad. Daarin werden onderzoek en werkwijze van de politie in de moordzaak belicht. Tevens werden achtergrond en milieu van het slachtoffer beschreven. Een buurvrouw omschrijft het slachtoffer als
"een hele lieve, vriendelijke en hulpvaardige meid. Alleen, ze liet iedereen binnen, bijvoorbeeld junks die ergens anders eruit waren gegooid."
In het artikel komt ook de volgende passage voor:
"Wat wel duidelijk is, is dat de al enkele jaren aan heroine verslaafde jonge vrouw veel losse contacten had. Door haar verslaving bewoog ze zich in de schimmige wereld van prostitutie en criminaliteit."

De standpunten van partijen

De bezwaren van klaagster richten zich allereerst tegen het noemen van de naam, het adres en de leeftijd van het slachtoffer, daags na het aantreffen van het stoffelijk overschot. Zij werd als gevolg daarvan onmiddellijk gebeld door vrienden en familieleden, die zij nog niet zelf had ingelicht, omdat de identiteit nog niet voor 100% vaststond. Daarnaast wordt volgens klaagster ten onrechte gesuggereerd, dat het slachtoffer zich met prostitutie bezig hield. Dit was volgens klaagster beslist niet het geval. Klaagster is bovendien van mening dat dergelijke informatie, ook in het geval die wel zou kloppen, in de berichtgeving achterwege dient te blijven uit respect voor de nabestaanden. Klaagster en haar man hebben onder de publikaties over deze gebeurtenis, die zij 'sensatiegericht' noemen, erg geleden. Zij voelen zich in hun privacy aangetast.

Betrokkene stelt dat de identiteit van het slachtoffer bij buurtbewoners en omstanders bekend was en dat die correspondeerde met het naambordje van de flat. De verslaggever heeft deze informatie voorgelegd aan de Helmondse politie, die de identiteit op 1 juli heeft bevestigd. Het artikel dat op 3 december in het Eindhovens Dagblad verscheen is volgens betrokkene tot stand gekomen met volledige medewerking van de Helmondse politie. Ook het gegeven, dat het slachtoffer in de wereld van de prostitutie terecht gekomen was, is afkomstig van de politie. Het is bevestigd door de buurvrouw, die in het verhaal werd geciteerd. De verslaggeefster heeft volgens betrokkene gekozen voor een 'betrekkelijk vage omschrijving', juist omdat dit aspect voor de ouders van het slachtoffer buitengewoon pijnlijk was. Echter omdat dit gegeven een essentieel element in het politieonderzoek vormde, is ervoor gekozen het wel te vermelden. Er is volgens betrokkene bewust getracht zo zorgvuldig mogelijk te formuleren en de ouders zo min mogelijk te kwetsen.

Beoordeling van de klacht

Het gaat bij deze klacht om de vraag of het, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid tegenover het slachtoffer, nabestaanden en intieme vrienden, maatschappelijk aanvaardbaar is om over een ernstig geweldsmisdrijf tegen personen zodanig te berichten
a. dat de identiteit van het slachtoffer aan het publiek bekend wordt gemaakt;
b. dat op het slachtoffer en het misdrijf betrekking hebbende details vermeld worden.
De Raad heeft zich al eerder over deze vraag gebogen, te weten in de zaak Burgdorffer contra AD, Volkskrant, Nieuwsblad van het Noorden, Veronica en EO, beslissing van 8 november 1988. Daarbij werd door de Raad voorop gesteld, dat een nieuwsbericht zoveel mogelijk gegevens dient te bevatten, opdat de lezer zich een waarheidsgetrouw en controleerbaar beeld van het nieuwsfeit kan vormen. Dit geldt ook voor publikaties over misdrijven, temeer daar deze een signaalfunctie kunnen hebben jegens burgers en overheid. Bij geweldsmisdrijven tegen personen kan volledigheid op het punt van de identiteit bovendien voorkomen dat verwarring met anderen optreedt als gevolg waarvan bij derden nodeloze ongerustheid kan ontstaan.

Met betrekking tot vraagonderdeel a., aldus de Raad in voornoemde uitspraak, staat tegenover dit alles de plicht van de journalist om, zodra het slachtoffer of zijn naaste familieleden door het bericht herkenbaar of identificeerbaar dreigen te worden, zich af te vragen of er gevaar is voor benadeling of kwetsing van deze personen. Naar het oordeel van de Raad dient de journalist het belang van genoemde personen te laten prevaleren en dus hun herkenbaarheid te vermijden in al die gevallen waarin redelijkerwijze te voorzien is dat die personen onevenredig nadeel van herkenbaarheid zullen ondervinden, bijvoorbeeld wegens onevenredig zware leedtoevoeging. Het in berichtgeving over geweldsmisdrijven herkenbaar en identificeerbaar maken van slachtoffers kan op zichzelf, los van de omstandigheden van het geval, niet reeds als een dergelijke onevenredig zware leedtoevoeging beschouwd worden.
Met betrekking tot vraagonderdeel b. staat tegenover het hiervoor geformuleerde uitgangspunt, dat details van het misdrijf weggelaten dienen te worden indien voorzienbaar is, dat zij extra leed toevoegen aan het slachtoffer of zijn naaste familieleden en die details niet noodzakelijk zijn om de aard van het misdrijf weer te geven. Los van dit alles dient een journalist bij berichtgeving over geweldsmisdrijven zich er met redelijke zekerheid van te vergewissen dat de naaste familie van het slachtoffer op de hoogte is van de gebeurtenis.

De Raad stelt voorop dat de ouders door de gewelddadige dood van hun dochter, een voor hen bijzonder schokkende gebeurtenis, al bijzonder zwaar leed hebben ondergaan. De vraag die dient te worden beantwoord is, in hoeverre de publikaties in het Eindhovens Dagblad aan dat leed nog -redelijkerwijs voorzienbaar- leed hebben toegevoegd, dat door zijn zwaarte niet in evenredigheid is met het eerder omschreven belang dat met publikatie is gemoeid.

In dit geval gaat het om drie publikaties: van 1 juli 1994, van 2 juli 1994 en van 3 december 1994.

Ten aanzien van het bekend maken van de identiteit is de Raad van oordeel, dat in de eerste publikatie vermelding van de naam van het slachtoffer achterwege had moeten blijven. Daarvan hebben klaagster en haar echtgenoot een voor betrokkene voorzienbaar onevenredig nadeel ondervonden. De identiteit stond op het moment van publiceren immers nog niet voor 100% vast. Zij zijn daardoor niet zelf in de gelegenheid geweest familie en vrienden in te lichten, doch werden overvallen door telefoontjes van mensen die het bericht gelezen hadden.
Bij de tweede en derde publikatie was dat anders, omdat er inmiddels zekerheid bestond omtrent de identiteit van het slachtoffer. Het enkele feit dat de personalia van het slachtoffer daarin is genoemd kan niet als een zo zware leedtoevoeging worden aangemerkt dat de vermelding van de naam achterwege had moeten blijven.
De klacht richt zich echter ook tegen het schetsen van de achtergronden van het slachtoffer in de laatstgenoemde publikatie. De Raad is van mening dat het beschrijven van de achtergronden waarbinnen dit soort zaken zich in het algemeen voltrekt functioneel is en niet als grensoverschrijdend valt aan te merken. Er is genuanceerd en met terughoudendheid geschreven over de plaats van het slachtoffer in de beschreven wereld. Hoewel er begrip bestaat voor het feit dat de ouders geschokt zijn door de beschrijving van de achtergronden waartegen het misdrijf plaatsvond, kan niet gezegd worden dat betrokkene door daar melding van te maken jegens hen grenzen van maatschappelijke zorgvuldigheid heeft overschreden, ook al getuigt het rechtstreeks benaderen van de ouders zo kort na het voorval niet van de in dit geval vereiste fijngevoeligheid.

Beslissing
De Raad acht de klacht gegrond voorzover betrekking hebbend op het vermelden van de naam van het slachtoffer in de publikatie van 1 juli 1994. Voor het overige acht de Raad de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in het Eindhovens Dagblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 18 juli 1995 door mr P.J. Boukema, voorzitter, W.H.K. Ammerlaan, mr G. Dullens, H. van Gessel, drs. K.J. van der Zande, leden, in tegenwoordigheid van mr I.H.J. Konings, secretaris.

RvdJ 1995, 15.