1995/14 ongegrond

F. van de Laar tegen de hoofdredacteur van Weekmedia Amsterdam

In een brief van 18 februari 1995 met twee bijlagen heeft mr P.T. Brouwer te Amsterdam namens de heer F. van de Laar (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Weekmedia Amsterdam (betrokkene).
Hierop is door de hoofdredacteur, de heer J.M. Pekelharing, gereageerd in een brief van 20 maart 1995.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 23 juni 1995. Klager is in persoon verschenen en heeft zich laten bijstaan door zijn gemachtigde, mr P.T. Brouwer. Betrokkene is niet verschenen.

De feiten

Op 21 juli 1994 verscheen in de weekbladen De Nieuwe Bijlmer en Nieuwsblad Gaasperdam, uitgaven van Weekmedia Amsterdam, een interview van journalist Joyce Schreuder met klager, ter gelegenheid van diens afscheid als voorzitter van het CDA, afdeling Amsterdam Zuidoost. De kop boven het artikel luidde: "CDA moet oude waarden loslaten". In het artikel wordt onder andere gezegd dat klager het een verademing vindt, dat de afdeling Zuidoost niet alleen leden van KVP, AR en CHU signatuur telt. Hij wordt als volgt geciteerd:
"Ik denk overigens, willen we als CDA in Amsterdam overleven, wij de oude normen en waarden gewoon moeten loslaten. Het is nodig om de integratie te bevorderen. Zo'n koerswijziging moet de accenten verleggen naar deze multiculturele samenleving."
Even verder zegt klager:
"Zo'n definitief afscheid van de gebruikelijke traditie is een gevolg van het openstaan voor ideeën. Dus luisteren naar de samenleving. Wel met het evangelie als richtsnoer".

In een brief van 18 augustus 1995 verzocht klager de redactie van Weekmedia om in de rubriek 'Meningen' een aantal aanvullingen c.q. correcties ten aanzien van het gepubliceerde artikel op te nemen. Dit verzoek werd door de hoofdredacteur niet gehonoreerd met als reden, dat het plaatsen van een brief, die kanttekeningen plaatst bij een interview dat ruim een maand geleden werd gepubliceerd, weinig informatieve waarde heeft.

De standpunten van partijen
Klager heeft zich gestoord aan de kop boven het artikel, die een te suggestieve interpretatie van zijn woorden is. Het gewicht dat aan 'normen en waarden' wordt gehecht is in de tekst anders dan zoals er over is gesproken tijdens het interview. Dit past niet bij de discussie zoals die in zijn partij wordt gevoerd, waardoor hij wordt geschaad. Klager meent te weten, dat niet Joyce Schreuder maar iemand anders de tekst van het interview geredigeerd heeft en ziet hierin een verklaring voor het feit dat hij de strekking van het interview niet terugvindt in het uiteindelijke artikel.
Klager stelt dat het artikel onjuistheden bevat en onvoldoende recht doet aan de context waarin zijn opmerkingen en meningen geplaatst dienen te worden. Hij is van mening, dat hij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om de onjuistheden recht te zetten en kanttekeningen te plaatsen bij het artikel. Ter zitting heeft klager verduidelijkt om welke onjuistheden het gaat: in het artikel wordt foutief vermeld, dat klager als partijvoorzitter het roer overnam van Frits Tamminga. Tussen zijn voorzitterschap en dat van de heer Tamminga was de heer E. Mathies gedurende korte tijd partijvoorzitter. Ook zou hij volgens het artikel gezegd hebben, dat er veel overeenkomsten zijn tussen de uitgangspunten van GroenLinks en het CDA. Volgens klager heeft hij gesproken over overeenkomsten in partijprogramma's, hetgeen iets anders is dan uitgangspunten.

Betrokkene is van mening dat rechtzetting van de onjuistheden weinig zin meer had, nu er na de publicatie al meer dan een maand verstreken was. Bovendien zou rechtzetting daarvan niets afdoen aan de strekking van hetgeen klager in het interview betoogt. Voor de kop boven het artikel is een deel van een uitspraak van klager gebruikt, waarmee de redactie heeft getracht de essentie weer te geven van wat de geïnterviewde betoogt. In zijn brief zou klager geen nieuwe relevante oordelen of kanttekeningen hebben toegevoegd aan het interview.

Beoordeling van de klacht

De Raad is van oordeel dat de kop, gelet op de inhoud van het artikel, niet misplaatst is. De kop legt wellicht een door klager ongewild accent op bepaalde uitlatingen die in het interview zijn weergegeven, maar dat behoort tot de vrijheid van de journalist. Uit de context wordt in voldoende mate duidelijk wat klager, blijkens zijn toelichting ter zitting, heeft bedoeld te zeggen: er is bij het CDA een koerswijziging nodig, van bepaalde tradities moet afscheid genomen worden, echter zonder het Evangelie als richtsnoer los te laten.
Naar de mening van de Raad betreffen de feitelijke onjuistheden slechts een enkel detail. De ingezonden brief van klager geeft onvoldoende aan om welke onjuistheden het gaat en is bovendien eerst vijf weken na de datum van het interview ter redactie binnengekomen. De weigering van betrokkene om de brief met kanttekeningen van klager in haar rubriek 'Meningen' op te nemen, kan dan ook, mede gelet op de inhoud van deze brief, gerechtvaardigd worden geacht.

Beslissing

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in De Nieuwe Bijlmer en Nieuwsblad Gaasperdam te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 18 juli 1995 door mr P.J. Boukema, voorzitter, W.H.K. Ammerlaan, mr G. Dullens, H. van Gessel, drs. K.J. van der Zande, leden, in tegenwoordigheid van mr I.H.J. Konings, secretaris.

RvdJ 1995, 14.