1995/12 gegrond

J.W. Bakker tegen Martijn Koolhoven en de hoofdredacteur van De Telegraaf

In een brief van 16 februari 1995 met veertien bijlagen heeft J.W.Bakker te Beekbergen (klager) een klacht ingediend tegen Martijn Koolhoven (betrokkene). Deze heeft in een brief van 20 maart 1995 met één bijlage een toelichting gegeven op de door hem in zijn artikelen vermelde feiten.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 20 maart 1995. Klager was in persoon aanwezig. Betrokkene is niet verschenen.

De feiten

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.

In maart 1994 werd de uitslag bekend van een door de plaatselijke autoriteiten opgedragen onderzoek naar het fusie-proces van de regiopolitie Noord- en Oost-Gelderland in het kader van de reorganisatie van de Nederlandse politie.
De uitkomst van dit onderzoek had ondermeer betrekking op wijziging van de bezoldiging van bij de fusie betrokken politiefunctionarissen waaronder die van klager, destijds korpschef van de regiopolitie Noord- en Oost-Gelderland.
De conclusie van het onderzoek is dat er "een onoverzichtelijk geheel van vergoedingen" is ontstaan en dat "de mogelijkheden voor extra en persoonlijke toelagen ruim zijn geïnterpreteerd, hetgeen in de hoogste rangen geleid heeft tot relatief hoge vergoedingen".

Volgens het op 23 maart 1994 door de korpsbeheerder en de korpschef uitgegeven persbericht hebben de onderzoekers geconstateerd "dat de onregelmatigheidstoeslag van de korpschef, verstrekt in verband met de schaalvergroting, ongebruikelijk hoog is". Het persbericht eindigt met een verklaring van de korpschef dat hij besloten heeft zijn functie beschikbaar te stellen wegens een verschil van opvatting met de nieuwe korpsbeheerder.

Klager is de korpschef waar het in deze zaak om gaat.
In De Telegraaf is in de periode van 24 maart 1994 tot 22 december 1994 in een aantal artikelen aandacht besteed aan deze zaak.

In De Telegraaf van 24 maart 1994 wordt onder de kop "Korpschef van Gelderland was te royaal voor zichzelf" bericht over het ontslag van klager. Bij deze publicatie staat een foto afgedrukt van de woonboerderij van klager met als onderschrift "De riante villa van de Apeldoornse hoofdcommissaris Jaap Bakker in Beekbergen".

In De Telegraaf van 26 maart 1994 wordt onder de kop "Politiebaas had f 4000,- netto erbij" bericht dat klager ontslag nam nadat bekend was geworden "dat hij wel héél aantrekkelijke financiële regelingen voor zichzelf had getroffen, een minimale toelage van f 4000,- netto per maand".

In publicaties van 9 april, 15 augustus, 6 en 22 december 1994 in De Telegraaf wordt herhaald dat klager boven zijn vaste salaris van f 12.700,- bruto per maand een netto toelage ontving van f 4000,- per maand, dit met uitzondering van de publicatie van 9 april waarin de vermelding van het bedrag van f 4000,- niet gepaard gaat met het woord "netto". In de publicaties wordt daarnaast gesproken over "zichzelf verrijkende politiebaas" en "zichzelf allerlei financiële extraatjes toebedelen".

In De Telegraaf van 17 december 1994 is in de rubriek voor ingezonden brieven onder de kop "Korpschef" een brief gepubliceerd van klager waarin hij meedeelt dat zijn toelage van ruim f 4000,- per maand een bruto-toelage is en dat deze werd goedgekeurd door de korpsbeheerder.

De standpunten van partijen

Klager voelt zich aangetast in zijn integriteit omdat naar zijn mening door betrokkene op tendentieuze wijze de indruk is gewekt dat hij zichzelf op onregelmatige wijze bevoordeeld zou hebben door toekenning van een maandelijks bedrag van f 4000,- netto boven zijn vaste salaris. De werkelijkheid is dat deze toelage werd toegekend door de korpsbeheerder en dat het niet gaat om f 4000,- netto maar om f 4487,- bruto. Dit blijkt uit het officiële overzicht van "Inkomsten en vergoedingen (gegevens 1993)", dat op last van de bestuursrechter openbaar werd gemaakt. Betrokkene had dus beter moeten en kunnen weten. Desondanks is in de publicaties een beeld opgeroepen van een zichzelf verrijkende korpschef.

Het feit dat in De Telegraaf van 17 december 1994 zijn ingezonden brief werd opgenomen acht klager onvoldoende als tegenwicht tegen de vele publicaties, die anders dan die brief op een prominente plaats in De Telegraaf verschenen.

Betrokkene heeft in zijn brief van 20 maart 1995 meegedeeld dat volgens door hem geraadpleegde bronnen klager boven zijn maandsalaris van f 12.700,- tenminste f 4000,- netto ontving. Een aantal individuele regelingen zijn nooit in de openbaarheid gekomen. Door een bedrag van f 4000,- netto te vermelden heeft betrokkene bewust een ondergrens aangehouden.

Daarnaast wijst betrokkene erop dat in de publicaties niet wordt betwist dat de toelagen van klager zijn goedgekeurd door de vorige korpsbeheerder. Dit neemt echter niet weg dat dit gebeurde op voorstellen van klager zelf.

Beoordeling van de klacht

De aangevallen berichtgeving spreekt voortdurend en bij herhaling over een toelage van f 4000,- netto per maand, die klager boven zijn vaste salaris van korpschef zou hebben ontvangen. Uit het op last van de bestuursrechter openbaar gemaakte document blijkt, dat die toelage f 4487,- bruto bedroeg, ongeacht een reiskostenvergoeding. De vermelding in de berichtgeving van betrokkene is derhalve onjuist.

Het is een feit van algemene bekendheid dat een korpschef niet de bevoegdheid heeft zijn eigen toelage vast te stellen. Door echter in de berichtgeving telkens te herhalen dat het ging om een regeling die betrokkene voor zichzelf getroffen zou hebben of zichzelf toebedeeld zou hebben en door woordgebruik als "zichzelf verrijkende politiebaas", heeft betrokkene bij het publiek de indruk gewekt dat klager zichzelf op onoirbare wijze verrijkt zou hebben. Dit geldt te meer nu het bestaan van bijzondere toelagen boven het vaste salaris voor politiefunctionarissen een tot dan toe onbekend fenomeen was.

Het bovenstaande wordt niet anders door het verweer van betrokkene dat volgens door hem geraadpleegde bronnen de toelage van klager hoger zou zijn dan ruim f 4000,- bruto en gelijk te stellen was met tenminste f 4000,- netto, nu betrokkene deze stelling tegenover de Raad niet aannemelijk heeft gemaakt.

De Raad is van oordeel dat betrokkene door zijn suggestieve berichtgeving de grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op zijn journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. De enkele publicatie van de ingezonden brief van klager doet hieraan niet af, omdat dit onvoldoende was om de bij het publiek gewekte indruk weg te nemen.

Beslissing

De Raad acht de klacht gegrond.

De Raad verzoekt betrokkene te bevorderen dat deze beslissing integraal of in samenvatting wordt gepubliceerd in De Telegraaf.

Aldus vastgesteld op 31 mei 1995 door mr P.J. Boukema, voorzitter, mr B.A. Schmitz, drs K.J. van der Zande, mr D.T. Dalmolen en W.H.K. Ammerlaan, leden, in tegenwoordigheid van mr A.C.M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1995, 12.