1995/11 deels gegrond

Twenteborg Ziekenhuis tegen J.W.A. Neeskens

In een brief van mr A.E. Zweers te Almelo van 26 januari 1995 met één bijlage heeft het Twenteborg Ziekenhuis te Almelo (klager) een klacht ingediend tegen J.W.A. Neeskens (betrokkene). Deze heeft op de klacht gereageerd in een brief van 2 maart 1995 met één bijlage.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 20 maart 1995. Klager werd vertegenwoordigd door mr A.E. Zweers. Betrokkene was in persoon aanwezig.
Na de behandeling heeft betrokkene op verzoek van de Raad nog een aanvullend stuk toegestuurd.

De feiten

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.

In het najaar van 1988 behandelde de orthopedisch chirurg van het Twenteborg Ziekenhuis te Almelo een man uit Aadorp wegens knieklachten. In de loop van 1989 wendde deze patiënt zich tot een specialist van het Medisch Spectrum Twente in Enschede omdat de klachten niet verholpen bleken. Er werd een tumor in de behandelde knie vastgesteld. Het been moest worden afgezet. Later werd vastgesteld dat de tumor was uitgezaaid naar de longen. De inmiddels 56-jarige patiënt begon in verband hiermee een civiele procedure tegen de chirurg van het Twenteborg Ziekenhuis.

In het dagblad Tubantia van 21 januari 1995 is onder de kop "Patiënt daagt Almelose chirurg voor de rechter" aandacht besteed aan deze feiten in een artikel, dat afkomstig is van betrokkene. Dit artikel bevat de volgende passage.

" Twee hoogleraren uit Maastricht en Groningen hebben vastgesteld dat er een verkeerde diagnose is gesteld. Dit zou onder meer veroorzaakt zijn doordat de apparatuur waarmee in Almelo röntgen-foto's worden gemaakt niet zou deugen."

In het dagblad Tubantia van 26 januari 1995 is onder de kop "Onafhankelijke deskundigen: "Specialist treft geen blaam" een artikel geplaatst waarin wordt meegedeeld dat een commissie van onafhankelijke deskundigen, die door de verzekeraars van beide partijen is benoemd, heeft vastgesteld dat de specialist van het Twenteborg Ziekenhuis in 1988 op de röntgen-foto's van de knie van de patiënt onmogelijk een begin van kraakbeenkanker had kunnen vaststellen.

De standpunten van partijen

De bezwaren van het Twenteborg Ziekenhuis tegen betrokkene zijn de volgende.

1. De berichtgeving van 21 januari 1995 is onjuist.
Er is destijds geen verkeerde diagnose gesteld en het Twenteborg Ziekenhuis werkt niet met niet-deugende röntgen-apparatuur. Toen betrokkene het ziekenhuis daags voor publikatie om een reactie vroeg, beriep hij zich op rapporten van twee hoogleraren. Hij weigerde echter de inhoud van die stukken aan het ziekenhuis bekend te maken, zodat het ziekenhuis niet op een behoorlijke manier kon reageren.

De in het kader van de klachtbehandeling door de Raad door betrokkene overgelegde brief van prof.dr. J.R. van Horn van 26 mei 1994, waarop kennelijk de stelling inzake de niet-deugende apparatuur is gebaseerd, vermeldt slechts dat de door het Twenteborg Ziekenhuis gebruikte röntgen-apparatuur niet geschikt is om een onderzoek naar kankeruitzaaiingen in de longen uit te voeren. De apparatuur van het Twenteborg Ziekenhuis is daarvoor ook niet gebruikt.
Er werden slechts röntgen-foto's van de knie van de patiënt gemaakt. Zoals inmiddels door een commissie van deskundigen is vastgesteld, gaven die foto's geen aanleiding tot de diagnose van kraakbeenkanker. Waarop de stelling inzake de verkeerde diagnose is gebaseerd is nog steeds onduidelijk.

De verkeerde berichtgeving heeft veel onrust gezaaid onder patiënten, ook al is nadien in een persconferentie mededeling gedaan van de uitslag van het onderzoek van de commissie van deskundigen, waarover in het dagblad Tubantia van 26 januari 1995 is bericht.

2. Het tweede bezwaar van het ziekenhuis is dat betrokkene zich presenteerde als medewerker van het dagblad Tubantia. Omdat het ziekenhuis met deze krant goede ervaringen heeft werd betrokkene te woord gestaan. Achteraf is gebleken dat betrokkene niet vast verbonden is aan deze krant maar free-lance journalist is.

Betrokkene heeft geantwoord dat hij inderdaad freelance journalist is en dat hij al 27 jaar voor dagbladen in het oosten van het land werkt, maar ook voor landelijke dagbladen. Daar het onderwerp van het onderhavige bericht hem het meest geschikt leek voor plaatsing in het dagblad Tubantia deelde hij mee dat hij voor dié krant kwam. Dat hij daarmee geen onjuiste indruk heeft gewekt blijkt wel uit het feit dat het bericht in het dagblad Tubantia is gepubliceerd.

Wat betreft de inhoud van het bericht: dat is gebaseerd op de overgelegde brief van professor van Horn enerzijds en een brief van de advocaat van de patiënt aan de verzekeringsmaatschappij van de chirurg anderzijds. In die laatste brief citeert de advocaat prof.dr. Lemmens van de Rijksuniversiteit Limburg, die de medische stukken ter inzage kreeg.
Deze brief is door betrokkene na de behandeling nog aan de Raad ter beschikking gesteld.

Beoordeling van de klacht

Het gaat in de eerste plaats om de vraag of betrokkene voldoende materiaal had om te schrijven dat er volgens twee hoogleraren een verkeerde diagnose werd gesteld in het Twenteborg Ziekenhuis, onder meer als gevolg van niet deugende röntgen-apparatuur. De brief van professor van Horn waarop betrokkene zich beroept vermeldt slechts dat de röntgen-apparatuur niet geschikt is om metastase-onderzoek in de longen uit te voeren. Deze brief geeft daarom naar het oordeel van de Raad geen steun aan de stelling dat de röntgen-apparatuur uit het Twenteborg Ziekenhuis niet zou deugen. Professor van Horn laat zich in de brief niet uit over de vraag of er een onjuiste diagnose werd gesteld.

Of de oud-hoogleraar heelkunde professor Lemmens dat wel deed, is naar het oordeel van de Raad niet met stelligheid af te leiden uit de brief van de advocaat van de patiënt, terwijl die brief bovendien geen citaten uit een rapport van professor Lemmens bevat maar slechts verwijst naar door deze gedane mededelingen.

De door het Twenteborg Ziekenhuis gewraakte passage uit het bericht van betrokkene suggereert daarom ten onrechte dat de verwijten aan de chirurg gebaseerd zijn op de rapporten van twee hoogleraren.
Dit onderdeel van de klacht acht de Raad derhalve gegrond.

Het tweede onderdeel van de klacht acht de Raad niet gegrond. Hoewel betrokkene geen vast dienstverband heeft met het dagblad Tubantia, mocht hij zich gezien zijn lange staat van dienst als free-lance medewerker van dit dagblad presenteren met de mededeling dat hij voor een bericht in deze krant kwam.

Beslissing

De Raad acht de klacht gegrond met betrekking tot het eerste onderdeel en wijst deze voor het overige af.

De Raad verzoekt betrokkene te bevorderen dat deze beslissing integraal of in samenvatting wordt opgenomen in de dagblad Tubantia.

Aldus vastgesteld op 31 mei 1995 door mr P.J. Boukema, voorzitter, mr B.A. Schmitz, drs K.J. van der Zande, mr D.T. Dalmolen en W.H.K. Ammerlaan, leden, in tegenwoordigheid van mr A.C.M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1995, 11.