1994/22 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van

 

drs J.H. Abbas

tegen

de hoofdredacteur van het Dagblad Tubantia

 

In een brief van 21 juli 1994 met vier bijlagen heeft drs J.H. Abbas te Haaksbergen (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het Dagblad Tubantia (betrokkene). Namens deze heeft adjunct-hoofdredacteur J.A. van Nus op de klacht gereageerd in een brief van 4 oktober j.l. met één bijlage. Klager heeft gerepliceerd in een brief van 12 oktober 1994.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 4 november 1994. De Raad heeft met toestemming van partijen op de zaak beslist op grond van de stukken en derhalve zonder mondelinge behandeling.

 

DE FEITEN

Klager zond op 8 juli 1994 een ingezonden brief naar de redactie van Dagblad Tubantia. Deze brief werd in verkorte vorm gepubliceerd in de editie van 14 juli 1994.

In de brief doet klager op geestige wijze verslag van een ervaring op een postkantoor.

Onder het kopje “Postzegels” luidt de gepubliceerde versie van de brief van klager als volgt.

“Onlangs bood ik op het postkantoor een brief aan. ‘Het kan nog net voor 80 cent’, zei de lokettist na weging. Hij plakte een zegel van 80 cent, woog weer en zei: ‘Nu is ie te zwaar’ en plakte er een tweede zegel van 80 cent op. Ik heb vanwege de wachtenden achter mij geen stampei gemaakt, maar wel zit ik met enkele vragen. Waarom zei de lokettist niet meteen dat er voor f 1,60 aan postzegels op moest, het had mij veel ergernis bespaard. Wat was er gebeurd zonder tweede weging? Zou dan de geadresseerde een frankeerboete hebben moeten betalen? En worden alle brieven onderweg van A naar B nog eens op een precisieschaal gewogen om te controleren of ze voldoende zijn gefrankeerd?”

Het bezwaar van klager is dat “geen enkele zin van het oorspronkelijke stukje onveranderd is gebleven en dat mede daardoor de bedoeling van de schrijver geheel verloren is geraakt”. Hij acht de gepubliceerde tekst een “knullige weergave zoals b.v. een leerling van de Mavo dat zou kunnen hebben gedaan als oefening om in eigen woorden weer te geven wat er geschreven staat”.

Betrokkene heeft geantwoord dat in het vignet bij de voor ingezonden brieven bestemde rubriek “Lezers Schrijven” vermeld staat dat de redactie zich het recht voorbehoudt om aangeboden brieven te bekorten. Betrokkene meent dat de in de ingezonden brief gesignaleerde feiten en gestelde vragen in de gepubliceerde versie zijn blijven staan, zodat “aan de intentie van het schrijven” niets is veranderd.


BEOORDELING VAN DE KLACHT

Hoewel verschillend gedacht kan worden over de vraag of de bekorting van de brief van klager taalkundig een verbetering kan worden genoemd en hoewel het persoonlijke karakter van de ingezonden brief door de bekorting verloren is gegaan, is de Raad van oordeel dat de essentie ervan wel bewaard is gebleven.

Gezien het feit dat de redactie zich het recht heeft voorbehouden ingezonden brieven te bekorten is de Raad daarom van oordeel, dat de klacht over de bekorting onterecht is.

 

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.


De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in Dagblad Tubantia te publiceren.


Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 4 november 1994 door mr P.J. Boukema, voorzitter, mr E.C.M. Jurgens, drs K.J. van der Zande, J.M.P.J. Verstegen en mw A.G. Scherphuis, leden, in tegenwoordigheid van mw mr A.C.M. Karsten, secretaris.