1995/1 ongegrond

de Thoolse Bode tegen J.C. Roodenburg

Per brief van 24 november 1994 met een bijlage en aanvullende brief van 30 november 1994 met een bijlage heeft mevrouw E. Frigge-Hogesteeger als hoofdredactrice van de Thoolse Bode (klaagster) een klacht ingediend tegen de journalist Hans Roodenburg (betrokkene). Deze heeft zich tegen de klacht verweerd in een brief van 18 december 1994. Klaagster heeft gerepliceerd in een brief van 12 januari 1995.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 30 januari 1995. Klaagster had laten weten niet te zullen verschijnen. Betrokkene was in persoon aanwezig.

De feiten

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.
Op 17 november 1994 is een jubileumnummer uitgekomen van het nieuwsblad De Eendrachtbode wegens het 50-jarig bestaan van de krant. In dit nummer is onder de kop "Journalistieke ziel en zaligheid op Tholen" een column gepubliceerd van de hand van betrokkene. Deze column werd op uitnodiging van de redactie van De Eendrachtsbode door betrokkene geschreven in verband met het jubileum. In de column staat vermeld. "Hans Roodenburg uit St.Annaland is voorzitter van de afdeling Rotterdam van de Nederlandse Vereniging van Journalisten."

Deze column bevat de volgende passage.
"Een ander wel direct op Tholen gericht (gratis) week- en advertentieblad is de Thoolse Bode. Maar ook hierover hoeft Wim Heijboer zich weinig zorg te maken. Zoals vele van de gratis huis-aan-huis-bladen in dit land bezuinigt de uitgever (Vorsselmans in Zundert) op de journalistieke kosten. Meestal wordt zo'n krant door een paar mensen (vaak amateurs die nooit een journalistieke, tegenwoordig zelf universitaire opleiding hebben genoten) in elkaar gedraaid. Het resultaat is dan ook te zien. Het spijt me dat ik het moet zeggen, maar de informatie in de Thoolse Bode is verre van compleet en mist volgens mijn journalistieke normen 'ziel en zaligheid'. Maar dat kan ook niet anders, want een dergelijk blad is niet in de eerste plaats opgezet om aan brede en objectieve informatievoorziening te doen; maar om winst te maken op reclamegelden van adverteerders.
Waarom die voor dergelijke bladen kiezen, heb ik nooit goed kunnen begrijpen. Afgezien nog van het feit, dat gemiddeld genomen één op de vijf 'ongevraagde bladen' in Nederland ongezien bij het oud papier wordt gegooid, moet toch elke adverteerder begrijpen dat de attentiewaarde in een doordringend produkt als een goed nieuwsblad of dagblad veel groter kan zijn dan in een 'vluchtig' huis-aan-huis-blad?"

De standpunten van partijen

De bezwaren van klaagster zijn de volgende.
1. Klaagster is van oordeel dat betrokkene zich beter had moeten informeren over de redactionele bezetting van de Thoolse Bode.
De uitgever van dit blad heeft elf fulltime journalisten in vaste dienst voor de redactie van tien weekbladen en vier kabelkranten. Er zijn 12 vaste correspondenten en zes fotografen voor de bladen beschikbaar naast een aantal losse medewerkers.
Een groot deel van genoemde journalisten is afgestudeerd aan een School voor de Journalistiek.
2. Anders dan door betrokkene wordt gesuggereerd is de redactie van de Thoolse Bode geheel onafhankelijk omdat er een duidelijke scheiding wordt gemaakt tussen acquisitie van adverteerders en redactie. Klaagster is van mening dat de Thoolse Bode objectieve informatie geeft over gebeurtenissen uit de regio. Klaagster wijst er op dat de Nederlandse Vereniging voor Journalisten een eigen afdeling heeft voor huis-aan-huis-bladen, die als volwaardige leden worden beschouwd.
3. De bezwaren van klaagster tellen voor haar des te meer nu betrokkene zijn uitspraken heeft gedaan in zijn hoedanigheid van Voorzitter van de Afdeling Rotterdam van de Nederlandse Vereniging voor Journalisten.

Betrokkene heeft geantwoord dat hij in zijn column zijn persoonlijke mening heeft gegeven over de kwaliteit van de Eendrachtbode als nieuwsblad en het gratis huis-aan-huis-blad de Thoolse Bode.
"Ik constateer dat een nieuwsblad dankzij de abonnementsgelden meer en betere mogelijkheden heeft om volwaardige journalistiek te bedrijven dan een huis-aan-huis-krant die het uitsluitend van de advertentie-inkomsten moet hebben."
Het door hem gebruikte woord bezuinigen houdt geen vergelijking in ten opzichte van de huidige redactie ten opzichte van het verleden, maar geeft een vergelijking tussen de beschikbare middelen voor het in dienst hebben van journalisten bij een huis-aan-huis-blad en bij de door abonnementsgelden gefinancierde bladen.
"Volgens mijn journalistieke normen worden die kranten met te weinig mensen samengesteld en is dat af te lezen aan de kwaliteit van het journalistieke produkt. Logischerwijs constateer ik voorts dat een gratis huis-aan-huis-krant niet in de eerste plaats de bedoeling heeft om aan brede nieuwsvoorziening te doen - zoals een dagblad of nieuwsblad - maar gericht is op het werven van advertenties."

Betrokkene is van oordeel dat hij bij het geven van zijn mening de regels van het fatsoen in acht heeft genomen.

Beoordeling van de klacht

Het gaat in deze zaak om een column waarin de schrijver zijn persoonlijke mening geeft over de kwaliteit van de Thoolse Bode. Dat oordeel valt negatief uit. De vrijheid van meningsuiting brengt mee dat de bezwaren hiertegen van klaagster geen doel kunnen treffen.

Aangenomen dat de uitgeefster van de Thoolse Bode het door haar aangegeven aantal gekwalificeerde journalisten in dienst heeft, dan zegt dat nog niets over de redactionele bezetting bij de Thoolse Bode. Maar ook indien betrokkene uitgegaan zou zijn van een verkeerde veronderstelling omtrent die bezetting, dan nog treft de grief van klager geen doel, aangezien het in de algemeen geformuleerde passage niet zozeer gaat om de feitelijke situatie, maar om een mening over het resultaat. Dat betrokkene daarop een andere visie heeft dan klaagster staat hem vrij.
Hieraan doet niet af het feit dat de schrijver wordt geafficheerd als voorzitter van de afdeling Rotterdam van de Nederlandse Vereniging van Journalisten, hoewel deze aanduiding naar de mening van de Raad inderdaad een grotere objectiviteit suggereert dan de schrijver heeft willen pretenderen en daarom beter achterwege had kunnen blijven.

Beslissing

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in een samenvatting te publiceren in De Eendrachtsbode.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 30 januari 1995 door mr P.J. Boukema, voorzitter, W.F. de Pagter, mr E.C.M. Jurgen, mr D.T. Dalmolen en W.H.K. Ammerlaan, leden, in tegenwoordigheid van mw mr A.C.M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1995, 1.