1994/8 deels gegrond

Jojanneke Claassen tegen Fred Backus en de hoofdredacteur van het NRC Handelsblad

Per brief van 5 januari 1994 met drie bijlagen heeft Jojanneke Claassen te Amsterdam (klaagster) een klacht ingediend tegen Fred Backus en de hoofdredacteur van NRC Handelsblad (betrokkenen). Op de klacht is gereageerd door betrokkene Backus in een brief van 21 januari 1994 met drie bijlagen en door adjunct-hoofdredacteur van NRC Handelsblad, Laura Starink in een brief van 2 februari 1994.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 8 april 1994. Klaagster was in persoon verschenen. Betrokkenen hebben geen gebruik gemaakt van de gelegenheid hun standpunt mondeling toe te lichten.

De feiten

In maart 1993 heeft klaagster een boekje gepubliceerd onder de titel "Tussen Neus en Lippen".
In NRC Handelsblad van 16 december 1993 is een vraaggesprek gepubliceerd van Fred Backus met prof. dr. E.P. Köster, geurdeskundige. Die publikatie bevat de volgende passage.

"Tussen Neus & Lippen" geeft een helder overzicht van alles wat met geur en smaak te maken heeft, vanaf de homo erectus tot aan de chemische achtergronden van geheimzinnige parfums of andere manipulaties met etherische odeurs. Maar eenmaal in Utrecht, in gesprek met prof. dr. E.P. Köster, stijgt er ineens een kwalijke reuk rond dit zo informatieve boekje op.
"Het is wonderlijk", zegt Köster. "Het boekje citeert mij vrijwel letterlijk. Er staan hele stukken in uit mijn lezingen, met hier en daar dezelfde zinswendingen. Alsof iemand mij overal heeft gevolgd en alles heeft opgenoemd."

In NRC Handelsblad van 21 december 1993 is in de rubriek Ingezonden Brieven onder het kopje "Parfum" de volgende brief van klaagster gepubliceerd.

"Fred Backus laat zich in het artikel "Een parfum moet je niet ruiken" (Weekagenda NRC Handelsblad, 16 december), lovend uit over het door mij samengestelde werk Tussen Neus en Lippen totdat hij een kwalijke reuk ontwaart rondom "dit zo informatieve" boekje tijdens het gesprek met de geurdeskundige prof. dr. E.P. Köster. De Utrechtse hoogleraar: "Het is wonderlijk. Het boekje citeert mij vrijwel letterlijk. Er staan hele stukken in uit mijn lezingen, met hier en daar dezelfde zinswendingen. Alsof iemand mij overal heeft gevolgd en alles heeft opgeschreven. Maar ik word nergens genoemd."
Köster had ik bij de samenstelling van dit boek over geur en smaak graag geïnterviewd, maar de rijksuniversiteit Utrecht deelde mij mee dat hij buitenslands was. Daarom wordt deze hoogleraar in het boek ook niet genoemd in tegenstelling tot alle andere personen die mij -als alfa- hebben geholpen om dit biologische, chemische onderwerp informatief op schrift te stellen.
Iedere bron die ik heb gebruikt heb ik vermeld -tot de Bijbel toe, toen ik het Hooglied zat over te tikken ("Mijn geliefde is mij een bundeltje myrrhe, rustend tussen mijn borsten"). Piet Vroon, Cornelis Verhoeven en talloze anderen heb ik geciteerd en genoemd. Een boek van prof. Köster heb ik niet kunnen vinden. Anders was zijn naam zonder twijfel in de lange lijst van geraadpleegde bronnen vermeld. Van lezingen van Köster heb ik geen weet, ik heb me nooit onder zijn gehoor bevonden en mocht hij zijn lezingen ooit op schrift hebben gesteld, dan heb ik die nooit onder ogen gehad. Misschien kan een uitgever de stapel lezingen van deze geurdeskundige eens bundelen, zodat schrijvers over geur en smaak naar dit werk kunnen verwijzen."

Standpunten van partijen

De bezwaren van klaagster zijn de volgende.
1. Het gepubliceerde vraaggesprek suggereert dat zij zich schuldig gemaakt heeft aan plagiaat door prof. Köster zonder bronvermelding te citeren. Backus had die beschuldiging niet mogen overnemen zonder de juistheid na te gaan en wederhoor toe te passen.

2. Haar ingezonden brief bevatte ook nog de volgende passage.

" Waarde collega Backus, zo heb ik het journalistieke vak niet geleerd (en ook niet gedoceerd aan de School voor de Journalistiek in Utrecht) om een insinuatie te publiceren -en deze in je tekst te benadrukken- zonder zo'n openbare betichting te checken.

Door deze passage weg te laten is de strekking van haar brief verloren gegaan.

3. Klaagster voelt zich door dit alles aangetast in haar eer en goede naam als verslaggeefster en als oud-docente aan de School voor de Journalistiek in Utrecht.

Betrokkene Backus heeft in zijn verweer het volgende aangevoerd.

1. In het verzamelboek "Psychologie in Nederland" is een artikel opgenomen van prof. Köster onder de titel "De functie van de reukzin" waarin paragrafen voorkomen, die sterk overeenkomen met bepaalde stukken uit het boekje van klaagster. Dat is met name opmerkelijk waar klaagster onderzoek vermeldt van Köster, dat door hem in dat artikel is beschreven.

2. Het door klaagster geciteerde boek van Piet Vroon "Tranen van de Krokodil" vermeldt in de literatuuropgave twee publikaties van prof. Köster.

Deze feiten achtte hij voldoende om de woorden van Köster over te nemen. Hij heeft daarbij niet het woord plagiaat gebruikt.

"Gezien de aard van mijn onderwerp echter lag de prikkelende woordspeling "er stijgt ineens een kwalijke reuk op uit dit zo informatieve boekje" min of meer voor de hand. Bovendien suggereerde die opmerking niet meer dan: hier klopt iets niet!"

Aan het verweer van betrokkene Backus is door Laura Starink nog toegevoegd dat het schrappen van de passage uit de ingezonden brief van klaagster, die persoonlijk aan de heer Backus was gericht, geldende journalistieke praktijk is bij NRC Handelsblad.

Beoordeling van de klacht

De Raad is van oordeel dat betrokkene Backus de suggestie van Köster, dat klaagster plagiaat zou hebben gepleegd, voor zijn rekening heeft genomen door als aanloop op dit citaat te schrijven: "... stijgt er ineens een kwalijke reuk rond dit zo informatieve boekje op." Daar het hier gaat om een ernstige beschuldiging, bracht dit voor betrokkene Backus de verplichting mee na te gaan of deze gerechtvaardigd was.

Naar het oordeel van de Raad is betrokkene in zorgvuldigheid tekort geschoten door uitsluitend af te gaan op de woorden van Köster en de door hem genoemde publikatie. De Raad overweegt daarbij dat klaagster in de literatuuropgave van haar boekje wel verzamelpublikaties noemt waarin Köster voorkomt. Naar het oordeel van de Raad sluit dat iedere bedoeling van plagiaat aan de zijde van klaagster uit. De Raad acht dit onderdeel van de klacht dan ook gegrond.

Dat geldt niet voor het tweede onderdeel van de klacht. De Raad meent dat het het NRC Handelsblad vrij stond de brief te bekorten op de wijze zoals dat is gebeurd.

Beslissing

De Raad acht de klacht gedeeltelijk gegrond en wijst deze voor het overige af.

De Raad verzoekt betrokkenen te bevorderen dat deze beslissing integraal of in samenvatting wordt gepubliceerd in NRC Handelsblad.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 8 april 1994 door mr W.D.H. Asser, voorzitter, mr E.C.M. Jurgens, M.J. Kes, mr D.T. Dalmolen en mw T.M. Lücker, leden, in tegenwoordigheid van mr A.C.M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1994, 8.