1994/6 ongegrond

Hankes-Drielsma tegen De Volkskrant B.V.

Bij brief met 1 bijlage van 25 oktober 1993 heeft mr Th. Sandberg, advocaat te Rotterdam, namens de heer B. Hankes-Drielsma (klager) een klacht ingediend tegen H. Faber en N. Goebert, journalisten van De Volkskrant (betrokkenen). Hierop is door drs. H.A. Lockefeer, hoofdredacteur van De Volkskrant bij brief van 6 januari 1994 gereageerd.
De zaak is behandeld ter zitting van 14 maart 1994, alwaar namens klager is verschenen mr drs. V.N. van Waterschoot. Betrokkenen zijn niet verschenen.

De feiten

In de Volkskrant van 19 oktober 1993 is een artikel verschenen van de journalisten Faber en Goebert met de kop "Claim op ex-bestuurders United Dutch" en de ondertitel "United Dutch was volgens dagvaarding vehikel voor deals met bevriende partijen". Hierin wordt bericht over een dagvaarding aan het adres van ex-bestuurders van United Dutch, waaronder de heer B. Hankes-Drielsma, waarin schadevergoeding ten bedrage van miljoenen guldens wordt gevorderd. Het artikel bevat de volgende passages:

"H. Coebergh en B. Hankes-Drielsma, oud-bestuurders van het ter ziele gegane investeringsbedrijf United Dutch Group, hebben miljoenenclaims aan hun broek gekregen wegens tal van schimmige en onverantwoorde "broekzak-vestzak"-transacties in de tijd dat zij de dienst uitmaakten bij United Dutch. Coebergh is aansprakelijk gesteld voor een schade van liefst 49,2 miljoen gulden. Hankes-Drielsma voor 47,5 miljoen gulden. Dat blijkt uit een dagvaarding aan het adres van beide oud-bestuurders, die de Rotterdamse advocaat Jhr. mr H. de Savornin Lohman in opdracht van de Deense opvolgers van Coebergh en Hankes-Drielsma heeft opgesteld. United Dutch werd in mei van dit jaar failliet verklaard".

" Na zeven maanden onderzoek is het curator mr G. Gispen duidelijk geworden dat het vooral in 1989 en 1990 fout is gegaan bij United Dutch. In die periode zwaaide een obscuur groepje personen de scepter bij het fonds, toen nog ICA Holding geheten. Onder hen lieden als Coebergh, Hankes-Drielsma, de in Duitsland wonende graaf A. Batthyany, de Britse vastgoedhandelaar P. Bloomfield, H. Legrand en H. Risseeuw. Gispen kijkt nog of hij de procedure wegens onbehoorlijke taakvervulling tegen Coebergh en Hankes-Drielsma voortzet."

Het artikel gaat verder in op een reeks transacties van United Dutch en genoemde ex-bestuurders, die ten grondslag ligt aan de schadeclaim.

De standpunten van partijen

Klager heeft bezwaar tegen het artikel om de volgende redenen:

1. Klager wordt beticht van zeer ernstige feiten, terwijl geen wederhoor is toegepast. Ook met de advocaat van klager, wiens naam makkelijk te achterhalen zou zijn geweest, is geen contact gezocht, terwijl van een spoedeisend belang bij de publikatie geen sprake was.

2. Er is geen rechtvaardiging te vinden voor de onnodig grievende vorm van de publikatie. Betrokkenen zouden aan hun bronnen conclusies hebben verbonden, die daaraan niet kunnen worden ontleend en zeker niet in een stellige en afkeurende vorm als waarin zij zijn verwoord. Er worden beschuldigingen geuit, die ten onrechte de suggestie wekken dat deze feiten reeds onomstotelijk in rechte zijn bewezen. Uit het openbare verslag van het faillissement blijkt dat klager verweer heeft gevoerd tegen de vordering. Klager meent dat alle hem verweten handelingen zijn gebaseerd op deugdelijke advisering van externe adviseurs van onbesproken reputatie.

In zijn reactie heeft hoofdredacteur van De Volkskrant de heer Lockefeer gesteld, dat betrokkene Faber verscheidene pogingen heeft gedaan om klager te bereiken, hetgeen onmogelijk bleek. Van het aan de dagvaarding ontleende adres in Londen was geen telefoonnummer te verkrijgen. Wel degelijk zou zijn getracht wederhoor toe te passen. Het opsporen van de advocaat van klager toen bleek dat klager onbereikbaar was, gaat volgens hem te ver. Hij wees daarbij op de nieuwswaarde van het bericht, waardoor er wel een spoedeisend belang bij publikatie zou zijn. Enige dagen na de publikatie nam de advocaat van klager, de heer Sandberg, bovendien contact op met de Volkskrant, ter gelegenheid waarvan hem werd voorgesteld om zo spoedig mogelijk een reactie van klager in de krant op te nemen. Dit voorstel zou door de heer Sandberg zijn afgewezen.

Beoordeling van de klacht

De juistheid van hetgeen namens betrokkenen als verweer is gevoerd tegen het niet toepassen van wederhoor kan door de Raad niet worden vastgesteld. Uit het namens klager ter zitting overgelegde telefoonverslag blijkt weliswaar dat er een dag na publikatie wel contact met het kantoor waar klager werkt is geweest. Dat wil evenwel niet zeggen, dat betrokkenen niet voordien getracht zouden hebben om klager, waarvan niet is gebleken dat een telefoonnummer van zijn huisadres beschikbaar was, te bereiken.
Het direct na de publikatie door betrokkenen gedane aanbod om een reactie te plaatsen is namens klager afgewezen. Dit voert tot de conclusie dat in zijn totaliteit genomen betrokkenen niet kan worden verweten, dat zij in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor hebben gehandeld.
De waardering door betrokkenen van de in de dagvaarding opgesomde transacties als "schimmig" kan naar het oordeel van de Raad niet als onnodig grievend worden aangemerkt. De kwalificatie "obscuur groepje personen" is kennelijk gebaseerd op in de dagvaarding gestelde feiten. Deze wordt door de Raad niet zodanig grievend bevonden, dat die tegen die achtergrond niet toelaatbaar moet worden geacht.
Het had betrokkenen niet misstaan indien zij ook over de voortgang van de procedure hadden bericht. Het achterwege laten van de vermelding in het openbaar verslag van het faillissement dat verweer werd gevoerd wordt echter niet als een zodanig verzuim aangemerkt, dat daarmee de grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op hun journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

Beslissing

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen deze beslissing integraal of in samenvatting in De Volkskrant te publiceren.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 14 maart 1994 door mr P.J. Boukema, voorzitter, mr G. Dullens, M.J. Kes,
W.H.K. Ammerlaan en T.M. L├╝cker, leden, in tegenwoordigheid van mr I.H.J. Konings, secretaris.

RvdJ 1994, 6.