1994/3 gegrond

H.F. Massink tegen Jeanne Kooijmans

In een brief van 14 juni 1993 met één bijlage heeft mr C.M. Verkade te De Meern namens drs H.F. Massink te Den Haag (klager) een klacht ingediend tegen de journaliste Jeanne Kooijmans (betrokkene). De klacht is in behandeling genomen op 22 oktober 1993 na het op die datum binnenkomen van de door de Raad gevraagde volmacht van klager.

Bij brief van 17 januari 1994 heeft J. Steenman, zendermanager van "Het Station" namens Jeanne Kooijmans op de klacht gereageerd.
De Raad heeft met toestemming van partijen op grond van de stukken, derhalve zonder mondelinge behandeling, over de klacht beslist op 14 maart 1994.

De feiten

De Raad gaat op grond van de stukken uit van de volgende feiten.

Klager is als wetenschappelijk medewerker werkzaam voor de Staatkundig Gereformeerde Partij. Vrouwen kunnen geen lid worden van de SGP. Betrokkene heeft geprobeerd zich in een telefoongesprek van 19 januari 1993 met klager als lid aan te melden. In dat gesprek heeft klager het standpunt van de partij over dit onderwerp uiteengezet.

Betrokkene heeft zich bij het voeren van dat telefoongesprek niet bekend gemaakt als journaliste. Ook na afloop daarvan heeft zij dat niet gedaan. Zij heeft zonder medeweten van klager een bandopname gemaakt van het gesprek en deze is afgespeeld in de uitzending van het radioprogramma "Breakfast Club" van 3 februari 1993, een programma van de AVRO, KRO en NCRV op Radio 3.

De standpunten van partijen

Klager maakt bezwaar tegen het feit dat betrokkene zonder zich bekend te maken als journaliste informatie bij hem heeft ingewonnen en dat zij een zonder zijn medeweten en toestemming van dat gesprek gemaakte bandopname heeft uitgezonden.

Betrokkene heeft geantwoord dat zij zich ten onrechte niet bekend heeft gemaakt als journaliste. Zij deed dat echter in het belang van het onderwerp, te weten een vorm van discriminatie.

Beoordeling van de klacht

Daar betrokkene heeft erkend dat zij zich ten onrechte niet als journaliste bekend heeft gemaakt beperkt de Raad zich tot de vraag of betrokkene de van het gesprek gemaakte bandopname zonder toestemming en medeweten van klager mocht uitzenden.

Het door een journalist maken van een bandopname van gevoerde telefoongesprekken zonder dat zijn gesprekspartner daarvan op de hoogte is acht de Raad, behoudens bijzondere omstandigheden waarvan in de onderhavige zaak niet is gebleken, een ongeoorloofde inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van die gesprekspartner omdat de menselijke stem een deel vormt van diens persoonlijkheid en diens wijze van uitdrukken in de beslotenheid en de eenmaligheid van een telefoongesprek mogelijk anders kan zijn dan in een voor uitzending bestemd gesprek. Door de band vervolgens zonder toestemming of medeweten van klager uit te zenden heeft betrokkene de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op haar journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

Beslissing

De Raad acht de klacht gegrond.
De Raad verzoekt betrokkene aan deze beslissing aandacht te besteden in een van haar uitzendingen.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 14 maart 1994 door mr P.J. Boukema, voorzitter, mr G. Dullens, mr B.A. Schmitz, W.H.K. Ammerlaan en mevrouw T.M. Lücker, leden, in tegenwoordigheid van mr A.C.M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1994, 3.