1994/29 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van

 

J.P. Voeten

tegen

de hoofdredacteur van De Stem

 

Per brief van 18 januari 1994 met één bijlage heeft J.P. Voeten te Zegge (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van De Stem (betrokkene). Deze heeft op de klacht gereageerd in een brief van 3 maart 1994 met één bijlage. Klager heeft zijn klacht aangevuld en toegelicht in brieven van 9 en 16 maart 1994, de eerste met twee bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 23 september 1994. Klager was in persoon aanwezig. Betrokkene werd vertegenwoordigd door adjunct-hoofdredacteur C. Hamans.

 

DE FEITEN

Klager woont met zijn gezin in Zegge, een dorp van 2100 inwoners. Hij is verwikkeld in een reeds jaren slepende burenruzie. Hij is werkzaam in Etten-Leur als ambtenaar bij de gemeente. In De Stem van maandag 10 januari 1994 is op de vaste plaats voor bijzonder nieuws in een kleurkader een bericht verschenen over een nieuw incident in deze burenruzie onder de kop “Politie grijpt in bij burenruzie in Zegge”. Dit bericht bevat de volgende passages.

“Het politieteam van de gemeente Rucphen heeft in de nacht van zaterdag op zondag een bewoner van de Couperusstraat in Zegge aangehouden. Tegen de man werd proces verbaal opgemaakt wegens belediging en bedreiging van de buren en wapenbezit (een zelfgemaakte wapenstok – RvdJ).

Volgens een woordvoerder van de politie in St. Willebrord is de man (‘een hoge ambtenaar van de gemeente Etten-Leur’) al tien jaar betrokken bij een burenruzie”.

 

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

De bezwaren van klager tegen de publikatie zijn dat deze onjuistheden bevat en dat hij herkenbaar is. Het is wel juist dat hij al sinds jaren verwikkeld is in een burenruzie maar het in de publikatie genoemde incident betrof niet meer dan een woordenwisseling. Klager verwijt de krant dat deze zonder meer is afgegaan op informatie van de politie. De wachtmeester, die het proces verbaal opmaakte deelde daarbij mee, dat hij zou zorgen dat klager op maandagochtend voorpagina-nieuws zou zijn in het dagblad De Stem.

De kwestie is later met de politie uitgepraat waarbij de politie heeft toegezegd te zorgen voor vermelding van de excuses van de politie in een berichtje in De Stem. De redactie van De Stem heeft echter geweigerd dat bericht op te nemen.

Betrokkene heeft geantwoord dat de publikatie was gebaseerd op informatie van de politie, welke informatie geen aanleiding gaf nader onderzoek naar de feiten in te stellen. Het vermelden van de straat was nodig omdat het om een burenruzie gaat en ook het vermelden van de functie van klager was een ‘vermeldenswaardig detail’, bepalend voor de nieuwswaarde van het bericht.

Het door de politie aangeboden bericht over de excuses aan klager is niet geplaatst, omdat dit bericht wel melding maakt van een gesprek tussen klager en de politie en de daarop gevolgde excuses, maar niet aangeeft waarom die excuses werden aangeboden.

 

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Het gaat in deze zaak om de vraag of de herkenbaarheid van klager als partij bij een burenruzie en in verband waarmee proces verbaal is opgemaakt, laakbaar is.

De Raad is van oordeel dat de vermelding van de functie van klager (ambtenaar van de gemeente Etten-Leur) beter achterwege had kunnen blijven omdat de kans op herkenning van klager daardoor onnodig werd vergroot. Die kans was daardoor nu echter ook weer niet zodanig groot geworden, dat door die vermelding de grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de geldende regels van journalistieke zorgvuldigheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Het weigeren door de redactie van het bericht over de excuses van de politie acht de Raad evenmin klachtwaardig gezien het vage karakter van dit bericht, terwijl niet gebleken is dat klager een rectificatie in andere vorm heeft gevraagd of aangeboden.

 

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

 

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in De Stem te publiceren.

 

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 23 september 1994 door mr. W.D.H. Asser, voorzitter, mr. G. Dullens, drs K.J. Van der Zande, mr. F. Kuitenbrouwer en mw A.G. Scherphuis, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C.M. Karsten, secretaris.