1994/27 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van

 

SBD Zuid-Oost Utrecht

tegen

de hoofdredacteur van het Utrechts Nieuwsblad

 

In een brief van 7 juli 1993 met acht bijlagen heeft B. de Koning, directeur van de Stichting Regionale Schoolbegeleidingsdienst Zuid-Oost Utrecht te Bilthoven namens de SBD (klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het Utrechts Nieuwsblad (betrokkene). In een brief van 23 augustus 1993 met één bijlage heeft de adjunct-hoofddirecteur van het Utrechts Nieuwsblad H. Goessens op de klacht gereageerd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 4 februari 1994. Klaagster werd vertegenwoordigd door B. de Koning en W. Wassink. Betrokkene werd vertegenwoordigd door H. Goessens en Jos van der Meer.

 

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.

In het Utrechts Nieuwsblad van 8 juli 1993 is onder de kop “Schooljeugd groeikern blijkt steeds agressiever” een artikel verschenen van Jos van der Meer over de toename van agressief gedrag op school door leerlingen van het basisonderwijs. Aanleiding tot dit artikel was een door twee directeuren van scholen te Houten aan de ouders van alle leerlingen gezonden brief met de oproep beter op het gedrag van hun kinderen te letten.

Dit artikel bevat een aantal citaten van de rayoncoördinator W. Wassink van de Schoolbegeleidingsdienst Zuid-Oost Utrecht. Volgens deze citaten erkent Wassink het bestaan van de in de brieven gesignaleerde gedragsproblemen. Daarnaast vermeldt het artikel dat de SBD Zuid-Oost Utrecht “vindt dat de situatie zo uit de hand loopt dat ze het nodig vindt ouders bij te scholen via cursussen.”

Op 10 juni 1993 zond SBD-directeur De Koning een ingezonden stuk aan de opinieredactie van het Utrechts Nieuwsblad. Daarin wordt gesteld dat de Schoolbegeleidingsdienst de inhoud van het artikel onjuist acht en dat de informatie uit het artikel niet grotendeels is ontleend aan de SBD. Ook wordt vermeld dat het ondanks uitdrukkelijk verzoek van de in het artikel genoemde medewerker van de SBD de tekst niet ter controle aan de SBD is voorgelegd vóór publikatie.

Bij brief van 11 juni 1993 heeft SBD-directeur De Koning de hoofdredactie van het Utrechts Nieuwsblad op de hoogte gesteld van de aanbieding van zijn ingezonden stuk. In genoemde brief herhaalt hij zijn bezwaren en kondigt hij een klacht bij de Raad voor de Journalistiek aan.

De krant reageerde bij brief van 14 juni 1993 van plaatsvervangend hoofdredacteur R.H. van de Loo. In die brief wordt één feitelijke onjuistheid uit het artikel erkend en wordt de SBD uitgenodigd haar bezwaren tegen de inhoud van het artikel met concrete feiten en voorbeelden te onderbouwen. Hierop heeft SBD-directeur De Koning op 6 juli uitvoerig gereageerd onder de mededeling dat de brief niet bedoeld was als ingezonden stuk en de herhaling dat de SBD haar bezwaren aan de Raad voor de Journalistiek zou voorleggen.

 

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Volgens klaagster bevat het artikel een aantal feitelijke onjuistheden, onder meer in citaten. Het opnemen van die citaten wekt de indruk als zou er sprake geweest zijn van een interview. Dat was niet het geval. Medewerker Wassink ontving journalist Van der Meer alleen voor een oriënterend gesprek. Aan het eind daarvan vroeg hij de tekst vooraf te mogen inzien in het geval de journalist tot een publikatie zou overgaan. Dat is niet gebeurd met als gevolg dat de onjuistheden ook niet gecorrigeerd konden worden.

De SBD ging niet in op het aanbod van de krant de bezwaren tegen de inhoud van het artikel nader te onderbouwen omdat de SBD het aanbod niet als een open uitnodiging beschouwde. De krant had het eerder aangeboden ingezonden stuk kunnen opnemen.

Namens betrokkene heeft Jos van der Meer ter zitting verklaard dat hij bij het maken van de afspraak met de SBD nog niet zeker wist of hij een artikel zou gaan schrijven. Het antwoord op mijn eerste vraag maakte mij echter duidelijk dat er wel een artikel zou komen. Dat was ook voor zijn gesprekspartner duidelijk. Op de vraag of de SBD vooraf inzage zou kunnen krijgen antwoordde Van der Meer volgens zijn zeggen dat hij alleen contact op zou nemen als hij zich onzeker zou voelen over de inhoud van de citaten.

Volgens de krant bevat het artikel maar één onjuistheid namelijk dat de oudercursussen waarover in het artikel wordt gesproken, niet afkomstig waren van de SBD. Die onjuistheid is in de briefwisseling erkend.

 

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad acht het aannemelijk dat het gesprek met de journalist níet uitsluitend oriënterend van karakter is geweest maar dat er een voor een publikatie bedoeld interview heeft plaatsgevonden. Niet is echter komen vast te staan dat dit aan de betrokkene, Wassink, duidelijk was of heeft behoren te zijn. Daarom kan ook niet aan de SBD worden toegerekend dat, naar geconstateerd moet worden, er geen concrete afspraak is gemaakt tot inzage en controle van de tekst vóór publikatie. Wat betreft de onjuistheden uit het artikel, de SBD is niet ingegaan op de uitnodiging van de krant de onjuiste stellingen uit het artikel te weerspreken en met feiten te onderbouwen. De daartoe door de SBD aangevoerde reden is onvoldoende ter rechtvaardiging van haar handelwijze zodat het uitblijven van correctie voor rekening van de SBD komt.

Op grond van al het bovenstaande dient de klacht ongegrond te worden verklaard.

 

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

 

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting op te nemen in het Utrechts Nieuwsblad.

 

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 4 februari 1994 door mr W.D.H. Asser, voorzitter, mr L. van Vollenhoven, mr B.A. Schmitz, mr. A.J. Heerma van Voss en mr D.T. Dalmolen, leden, in tegenwoordigheid van mr A.C.M. Karsten, secretaris.