1994/24 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van

 

Mr J.L.E. Marchal en H.W. Riem

tegen

J.P.M. Dohmen (redactie De Limburger)

 

Mr J.L.E. Marchal, advocaat en procureur te Maastricht heeft in een klaagschrift van 27 december 1993 met zes bijlagen mede namens H.W. Riem te Brunssum (klagers) een klacht ingediend tegen J.P.M. Dohmen (betrokkene). De klacht is aangevuld in een brief van 3 mei 1994. Betrokkene heeft op de klacht geantwoord bij brief van 27 juni 1994 met vijf bijlagen.

Partijen hebben schriftelijk gerepliceerd en gedupliceerd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 25 november 1994. De Raad heeft met toestemming van partijen op de zaak beslist op grond van de stukken, derhalve zonder mondelinge behandeling.

 

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken uit van de volgende feiten.

Klager H.W. Riem is lid geweest van Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg en hij is burgemeester geweest van de gemeente Brunssum in Limburg. Tegen hem is een gerechtelijk vooronderzoek ingesteld wegens mogelijke betrokkenheid bij corruptie waaronder het aannemen van steekpenningen. Klager Marchal treedt op als zijn advocaat.

In het dagblad De Limburger van 16 december 1993 is, onder de kop “Henk Riem verdacht van tweede adviseurschap” en onder de boven het vervolg van het artikel geplaatste kop “Advocaat van Riem brengt informatie zelf naar buiten”, een bericht verschenen van betrokkene Dohmen en Henk Langenberg over een mogelijke tweede commerciële bijbaan van klager Riem. Dit bericht bevat de volgende passages.

“Burgemeester H. Riem van Brunssum wordt er door justitie in Maastricht ook van verdacht betaald adviseur te zijn geweest van de Fodi, de lobby van de delfstoffenindustrie in Nederland. Riem zou die bijbaan onmiddellijk na zijn vertrek als gedeputeerde van ontgrondingen in Limburg aanvaard hebben.”

“Deze vertrouwelijke informatie uit het gerechtelijk vooronderzoek is gisteren door de advocaat van Riem in de publiciteit gebracht. Volgens de advocaat heeft de rijksrecherche de secretaris van Federatie van Oppervlakte Delfstoffenwinnende Industrieën (Fodi) afgelopen week geconfronteerd met het betaalde adviseurschap. Justitie onthoudt zich van commentaar.”

“De advocaat van Riem, mr. J. Marchal, zegt de nieuwe verdenking zelf naar buiten te hebben gebracht in het belang van een “evenwichtige publiciteit” over de affaire-Riem.

In de verwachting dat deze krant een artikel zou plaatsen over het adviseurschap, ontkende Marchal gisteren in het Limburgs Dagblad alvast de beschuldiging dat Riem vóórdat hij Fodi-voorzitter werd al adviseur was. Daarbij bracht hij ook de vertrouwelijke gegevens uit het onderzoek naar buiten.”

 

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

De bezwaren van klagers zijn de volgende.

  • De Limburger stelt ten onrechte dat klager Riem geldt als verdachte. Het onderzoek van de rijksrecherche betrof slechts de vraag of klager Riem een betaald adviseurschap heeft gehad van de Federatie van Oppervlakte Delfstofwinnende Industrieën (Fodi). Dat betekent nog geenszins de verdenking van een strafbaar feit.
  • De Limburger vermeldt ten onrechte “dat deze vertrouwelijke informatie uit het gerechtelijk vooronderzoek door de advocaat van Riem in de publiciteit is gebracht”. Volgens klager Marchal heeft hij het Limburgs Dagblad slechts meegedeeld dat de rijksrecherche op 9 december 1993 vragen over een betaald adviseurschap van klager Riem aan de secretaris van Fodi heeft voorgelegd en dat betrokkene Dohmen op 13 december dezelfde vraag vervolgens aan de secretaris van Fodi en aan hem heeft voorgelegd.
  • De “evenwichtige publiciteit” betrof niet de vermeende verdenking van klager Riem maar de kwestie van de vraagstelling van de rijksrecherche, herhaald door betrokkene Dohmen.

 

De reactie op de klacht van betrokkene luidt samengevat als volgt.

De publicatie in De Limburger van 16 december 1993 werd voorafgegaan door een publicatie in het Limburgs Dagblad van 15 december 1993. Dat de secretaris van Fodi door de rijksrecherche werd verhoord was een vóór die publicatie niet eerder bekend gemaakt gegeven. Het bericht kwam wel degelijk tot stand op grond van informatie van klager Marchal.

“Een kritisch artikel in De Limburger moest klaarblijkelijk begeleid worden met een vriendelijk artikel in het Limburgs Dagblad.”

 

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Klagers bezwaren dat De Limburger klager Riem bestempelt als verdachte acht de Raad onterecht omdat een verhoor door de rijksrecherche opgevat mag worden als een onderzoek naar een strafbaar feit, dit temeer omdat dit verhoor kennelijk onderdeel uitmaakte van een breder onderzoek naar betaling van smeergelden en het bekleden van commerciële adviseurschappen waarin klager centraal stond.

In samenhang hiermee acht de Raad ook het tweede bezwaar van klagers ongegrond nu vaststaat dat klager Marchal het Limburgs Dagblad -dat niet eerder op de hoogte was van de feitelijkheden- heeft ingelicht over het verhoor, zij het met het oogmerk van het bevorderen van een evenwichtige publiciteit en zij het dat hij “de vraagstelling” door de rijksrecherche ook in een andere context heeft geplaatst.

Het derde bezwaar betreft de vraag of er gesproken mocht worden van een “verdenking”, hetwelk  naar het oordeel van de Raad aan betrokkene vrij stond.

 

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

 

De Raad verzoekt betrokkene te bevorderen dat deze beslissing integraal of in samenvatting wordt gepubliceerd in De Limburger.

 

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 25 november 1994 door mr P.J. Boukema, voorzitter, mw mr T. Faber-de Heer, mr B.A. Schmitz, mr A.J. Heerma van Voss en J.M.P.J. Verstegen, leden, in tegenwoordigheid van mw mr A.C.M. Karsten, secretaris.