1994/19 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van
 

Aannemings- en Wegenbouwmaatschappij Baars B.V. en J.J.M. Baars

tegen

de hoofdredacteur van De Limburger

 

Per brief van 18 augustus 1993 met vijf bijlagen heeft mr A.J.L.J. Pfeil te Maastricht namens Aannemings- en Wegenbouwmaatschappij Baars B.V. te Landgraaf en J.J.M. Baars te Maaseik (klagers) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van De Limburger (betrokkene). Namens deze heeft adjunct-hoofdredacteur G. Kessels op de klacht gereageerd in een brief van 20 september 1993.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 8 april 1994. Klager Baars was in persoon aanwezig mede namens Baars B.V. in tegenwoordigheid van mr Pfeil. Namens betrokkene was aanwezig G. Kessels.
 

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.

In de loop van 1992 werd door het Openbaar Ministerie een onderzoek ingesteld naar fraude en corruptie door bestuurlijke autoriteiten. Dit onderzoek richtte zich onder meer tegen de burgemeester va Brunssum, tevens oud-lid van Gedeputeerde Staten, H. Riem. Onderdeel van dit onderzoek was de relatie tussen Riem en Baars.

In 1992 werd in De Limburger een serie artikelen gewijd aan het voorkomen van fraude en corruptie bij Limburgse bestuurders. In die artikelen werden klagers eveneens genoemd. In de door klagers tegen deze artikelen ingestelde gerechtelijke procedure werden zij in het ongelijk gesteld. In die zaak werd hoger beroep ingesteld.

In De Limburger van 22 april 1993 werd onder de kop ”Oud-gedeputeerde Riem verdacht van corruptie” een nieuwsbericht geplaatst over een door justitie tegen H. Riem geopend corruptieonderzoek. Het artikel bevat de volgende passage.

“Riem wordt onder meer ervan verdacht als gedeputeerde tegen een vergoeding adviseur te zijn geweest van de Zuidlimburgse wegenbouwer Baars. Die wordt sinds november vorig jaar ook verdacht van het omkopen van een wethouder in Maastricht en een provincie-ambtenaar. Baars weigerde in 1990 overigens tegen de FIOD de namen te noemen van de tientallen bestuurders en ambtenaren aan wie hij zijn smeergeldmiljoenen betaalde. Riem kwam in mei vorig jaar al in opspraak. De Limburger onthulde toen de nauwe contacten tussen Riem en Baars. Nieuw is dat justitie bij huiszoekingen in het kantoor van Baars in november vorig jaar bewijzen heeft gevonden waaruit blijkt dat Riem zich verplicht had om voor Baars’ belangen op te komen.”

In dezelfde krant werd onder de kop “Band tussen Baars en Riem was innig” een kort achtergrondartikel gepubliceerd. Dit artikel bevat de volgende passages.

“Half februari 1990 bemoeide de gedeputeerde (Riem - RvdJ) zich dan ook persoonlijk en nadrukkelijk met de problemen rond de verplaatsing van het bedrijf van Baars.”

“Ook in Valkenburg zou Riem de belangen van de wegenbouwer behartigd hebben.”
 

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

De bezwaren van klagers zijn de volgende.

  1. In de publicaties in De Limburger van 22 april 1993 wordt verband gelegd tussen klagers en het corruptieonderzoek tegen H. Riem, zulks terwijl klagers geheel en al buiten de verdenking tegen Riem staan.

  2. De publicatie wekt de indruk alsof de verstrekte informatie afkomstig zou zijn van justitie. Blijkens een antwoord-brief van de Officier van Justitie mr J.H.M. Nabben te Maastricht van 13 mei 1993 aan mr Pfeil zijn bij zijn weten door het parket aan de pers geen mededelingen gedaan overeenkomend met de inhoud van de publicaties van 22 april 1993.

Ter zitting hebben klagers nog overgelegd een brief van 15 november 1993 van mr A.J. Hazen, als rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de arrondissementsrechtbank te Maastricht aan mr Pfeil. In deze brief wordt meegedeeld dat alleen tegen klager Baars in persoon een gerechtelijk vooronderzoek is geopend. Volgens klagers blijkt hieruit dat in ieder geval de besloten vennootschap Baars niet verdacht wordt van strafbare feiten. Op grond van dit alles zijn klagers van oordeel, dat betrokkenen onzorgvuldig te werk zijn gegaan.

Betrokkene heeft geantwoord dat het onmogelijk is over het corruptieonderzoek tegen Riem te spreken zonder tegelijkertijd ook Baars te noemen. Ten tijde van de publicatie van 22 april was het in ieder geval zo, dat het onderzoek zich juist voor een belangrijk deel op de relatie Riem-Baars richtte. Ook in de artikelen-serie uit 1992 was in de krant al bericht over nauwe banden tussen Riem en Baars.

Wat betreft de bronnen van de krant, de vraag daarnaar wordt pas relevant als er twijfel is aan de juistheid van de berichtgeving. Dat is niet het geval.
 

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad is van oordeel dat klagers op geen enkele wijze aannemelijk hebben gemaakt dat de publicaties van 22 april 1993 onjuiste feiten bevat.

Gelet op de blijkbaar nauwe banden tussen de vennootschap Baars en klager Baars in persoon, was betrokkene niet verplicht in de publicaties een scherp onderscheid tussen beiden aan te brengen, ook al wordt de vennootschap niet verdacht van strafbare feiten terwijl dit ten aanzien van klager in persoon, blijkens het tegen hem geopende gerechtelijk vooronderzoek, wel het geval was.

De brief van de Officier van Justitie van 13 mei 1993 aan de raadsman van klagers acht de Raad van onvoldoende gewicht. In elk geval blijkt uit die brief niet, dat de gepubliceerde passages, waarop die brief doelt en die zijn geciteerd in de brief van vorenbedoelde raadsman mr Pfeil van 7 mei 1993 aan de Officier van Justitie, naar het oordeel van het Openbaar Ministerie in het Arrondissement Maastricht feitelijke onjuistheden bevatten. Dat volgens deze brief van de kant van Justitie geen mededelingen zijn gedaan in de trant van de bewuste passages doet aan het voorgaande niet af omdat de gewraakte publicaties niet inhouden en naar het oordeel van de Raad ook niet suggereren, dat zulke mededelingen wèl zouden zijn gedaan.

Publicaties kunnen bovendien niet los gezien worden van de eerdere artikelen in De Limburger.

Op grond van al het bovenstaande acht de Raad de klacht daarom in beide onderdelen ongegrond.
 

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.
 

De Raad verzoekt betrokkenen deze beslissing integraal of in samenvatting in De Limburger te publiceren.


Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 8 april 1994 door mr W.D.H. Asser, voorzitter, mr E.C.M. Jurgens, M.J. Kes, mr D.T. Dalmolen en mw T.M. Lücker, leden, in tegenwoordigheid van mr A.C.M. Karsten, secretaris.