1994/15 gegrond

G.J. Pater tegen de hoofdredacteur van het Friesch Dagblad

Per brief van 28 januari 1994 met vier bijlagen heeft G.J. Pater te Leeuwarden (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het Friesch Dagblad (betrokkene). Namens deze heeft de redactie-coördinator van het Friesch Dagblad K. Jansma bij brief van 18 april 1994 op de klacht gereageerd. Klager heeft gerepliceerd in een brief van 26 april 1994 met drie bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 23 september 1994. De Raad heeft met toestemming van partijen over de zaak beslist op grond van de stukken, derhalve zonder mondelinge behandeling.

De feiten

De Raad gaat op grond van de stukken uit van de volgende feiten. Klager is directeur geweest van de openbare school voor lager onderwijs in Birdaard. Deze school is in 1984 gesloten wegens gebrek aan leerlingen. Aan het begin van het schooljaar 1993/1994 is de plaats van de directeur van de openbare basisschool te Blija vrijgekomen. De gemeente Ferwerderadeel verzocht in verband daarmee het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen om ontheffing van de herbenoemingsverplichting met betrekking tot klager. Toen dit geweigerd werd ging de gemeente in beroep bij de Raad van State. Vervolgens bleek dat de herbenoemingsverplichting niet meer speelde omdat klager sinds 1992 arbeidsongeschikt is.

In het Friesch Dagblad van 7, 12 en 14 januari is aandacht besteed aan deze kwestie. In het bericht van 7 januari wordt gemeente-ambtenaar E. Pijnacker aangehaald met de volgende woorden.

"Pater heeft destijds een kwalijke rol gespeeld in Birdaard. Hij deugde niet in de omgang met kinderen. Vanwege zijn optreden hebben ouders hun kinderen van school gehaald. Na de zomervakantie 1984 waren er nog een stuk of drie leerlingen over en moest de school worden gesloten."

Aan het eind van dit bericht wordt vermeld dat klager op de ochtend van de publikatie niet bereikbaar was voor commentaar.

In het bericht van 12 januari wordt vermeld dat de benoemingsverplichting achterhaald was door de arbeidsongeschiktheid van klager. Het bevat de volgende passage.

"Volgens veel ouders deugde Pater niet in de omgang met kinderen". Zij haalden hun kinderen daarom van school. Die moest vervolgens gesloten worden. Pater vond sindsdien geen nieuwe betrekking."

De publikatie van 14 januari is geen nieuwsbericht maar een beschouwing over de kwestie. Daarin wordt herhaald dat klager "niet goed functioneerde".
In het Friesch Dagblad van 25 januari 1994 is een ingezonden brief geplaatst van ambtenaar Pijnacker. Deze ontkent daarin gezegd te hebben dat klager "een kwalijke rol heeft gespeeld in Birdaard" en "niet deugde in de omgang met kinderen" of woorden van gelijke strekking.

De standpunten van partijen

De bezwaren van klager zijn dat de krant geen wederhoor heeft toegepast, dat hij met zijn volle naam is genoemd en dat de publikaties onjuiste feiten en onterechte beschuldigingen bevat. Het ontslag in Birdaard was het gevolg van een gebrek aan leerlingen en had niets te maken met een niet deugende omgang met de kinderen van de school of een kwalijke rol van zijn kant anderszins. Onjuist is o.a. dat hij sindsdien geen nieuw werk vond. Dat was wel zo. Hij is pas later arbeidsongeschikt geworden. Klager acht zich geschaad in zijn eer en goede naam en verwijt het Friesch Dagblad dat de krant geweigerd heeft een rectificatie op te nemen, waarom hij in een telefoongesprek van 20 januari 1994 heeft gevraagd.

Betrokkene heeft geantwoord dat de krant klager in brieven van 21 en 31 januari 1994 de mogelijkheid heeft geboden om door middel van een ingezonden brief op de publikaties te reageren. De krant meent dat klager voldoende is ingelicht over de wijze waarop de publikaties tot stand zijn gekomen.

Beoordeling van de klacht

De Raad is van oordeel dat betrokkene de beschuldigingen jegens klager in verband met zijn ontslag in 1984 niet had mogen publiceren zonder klager te horen. Dat dit niet gebeurd is met betrekking tot de publikatie van 7 januari acht de Raad verschoonbaar omdat de krant toen wel moeite heeft gedaan om klager te bereiken, hetgeen ook in de publikatie is vermeld. Het feit dat betrokkene met betrekking tot de publikatie van 12 januari die moeite niet nam is wel laakbaar, omdat de beschuldiging daarin niet alleen wordt herhaald maar ook in een breder kader wordt geplaatst doordat deze niet meer aan één enkele zegsman maar aan "veel ouders" wordt toegeschreven. Dit alles klemt te meer nu betrokkene bij het horen van klager ook eerder vernomen zou hebben, dat de herbenoemingsverplichting reeds lang achterhaald was.

Beslissing

De Raad acht de klacht gegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in het Friesch Dagblad te publiceren.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 23 september 1994 door mr W.D.H. Asser, voorzitter, mr G. Dullens, drs K.J. van der Zande, mr F. Kuitenbrouwer en mw A.G. Scherphuis, leden, in tegenwoordigheid van mr A.C.M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1994, 15.