1994/14 ongegrond

H.J. Korterink tegen de eindredacteur van Het Paleis

Per brief van 7 februari 1994 met twee bijlagen heeft H.J. Korterink te Wezep (klager) een klacht ingediend tegen mevrouw G.J.M. Willenborg, eindredactrice van het KRO-radioprogramma Het Paleis (betrokkene). Deze heeft op deze klacht gereageerd bij brief van 10 maart 1994 onder toezending van een bandopname van de radio-uitzending.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 23 september 1994. De Raad heeft met toestemming van partijen over de zaak beslist op grond van de stukken, derhalve zonder mondelinge behandeling.

De feiten

Klager is freelance journalist. Hij schreef een boekje over de Eper incest-affaire. Dit boekje heeft de titel "Epe: Het Proces". Het is verschenen op 28 januari 1994.

Naar aanleiding hiervan werd met klager een vraaggesprek gehouden in de uitzending van het KRO radioprogramma "Het Paleis" van 28 januari 1994. Dit vraaggesprek werd direct uitgezonden. De aankondiging tot dit vraaggesprek bevat de volgende passage: "... de vraag is of wij te maken hebben met een alerte journalist of dat er sprake is van lijkenpikkerij terwijl het lijk nog in leven is ..."

De standpunten van partijen

Het bezwaar van klager richt zich tegen het gebruik van de term lijkenpikkerij en met name omdat het vraaggesprek werd gehouden met een journaliste, die het boekje naar zijn indruk niet had gelezen. Klager voelt zich ernstig gegriefd en was te zeer overdonderd om in de uitzending zelf op het gebruik van de term te reageren. Hij wilde bovendien een discussie in de uitzending zelf vermijden. Klager meent dat de KRO-Radio ten onrechte niet is ingegaan op zijn verzoek in de volgende uitzending een excuserend bericht op te nemen.

Betrokkene heeft geantwoord dat klager bedacht had kunnen zijn op kritische vragen. De gewraakte term is verwerkt in een vraag. In het programma worden geen conclusies getrokken. Dat kon de luisteraar zelf doen aan de hand van het vraaggesprek.

Beoordeling van de klacht

De Raad is van oordeel dat de klacht ongegrond is omdat van klager, mede gelet op zijn beroep van freelance journalist, verwacht mocht worden dat hij op de gewraakte opmerkingen/vragen kritisch zou reageren, waartoe hij ook de gelegenheid heeft gehad in de uitzending zelf.

Beslissing

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene te bevorderen dat aan deze uitspraak in een van de uitzendingen van de KRO-Radio aandacht zal worden besteed.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 23 september 1994 door mr W.D.H. Asser, voorzitter, mr G. Dullens, drs K.J. van der Zande, mr F. Kuitenbrouwer en mw A.G. Scherphuis, leden, in tegenwoordigheid van mr A.C.M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1994, 14.