1994/20 deels-gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de klacht van

 

Adviesburo Drugs August de Loor en Stichting Quazar

tegen

de Evangelische Omroep

 

Per brief van 18 oktober 1993 met twee bijlagen heeft August de Loor namens het door hem gevoerde Adviesburo Drugs te Amsterdam (klager 1) een klacht ingediend tegen de redactie van het televisieprogramma Antenne van de Evangelische Omroep (betrokkene). Op deze klacht heeft betrokkene geantwoord in een brief van 19 november 1993. De klacht betreft een aflevering van het televisieprogramma Antenne van 6 oktober 1993.

Tegen hetzelfde programma heeft Gert van Veen namens de Stichting Quazar te Amsterdam (klager 2) in een brief van 4 november met één bijlage een klacht ingediend. Op die klacht heeft de Evangelische Omroep geantwoord in een brief van 14 januari 1994 met twee bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 14 februari 1994. Klager 1 was in persoon aanwezig, de Stichting Quazar werd vertegenwoordigd door Gert van Veen en de Evangelische Omroep door het hoofd juridische zaken mr G. Rietkerk.


DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken, de video-opname van het programma en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.

In de aflevering van het televisieprogramma Antenne van de Evangelische Omroep van 6 oktober 1993 is een documentaire uitgezonden over houseparties. Aan deze documentaire is meegewerkt door August de Loor als organisator van de SAFE HOUSE-campagne, door Gert van Veen als vertegenwoordiger van de muziekgroep Quazar, door discjockies Eddy de Clercq en Dano, door bezoekers van house-parties, door een ex-drugsdealer en door vele anderen zoals de vader van een bezoeker van house-parties.

De documentaire laat bovengenoemde aan het woord waarbij voor- en tegenstanders de gelegenheid krijgen hun visie op house-parties te geven zonder dat daarop commentaar wordt geleverd. Deze opnamen worden afgewisseld met opnamen van beelden van house-parties.

De documentaire is gemaakt door een zelfstandig produktiemaatschappij.


DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

De bezwaren van klagers zijn op twee punten gelijkluidend en komen zakelijk samengevat neer op het volgende.

  • De uitzending geeft geen objectief beeld van house-parties maar geeft met opzet een negatieve belichting doordat uitspraken uit hun verband zijn gelicht, de nadruk is gelegd op excessen en door juist randfiguren aan het woord te laten. Op grond hiervan achten klagers de uitzending tendentieus en vooroordeelbevorderend/-bevestigend.
  • Klagers zouden hun medewerking niet verleend hebben wanneer zij geweten hadden dat de documentaire bestemd was voor de Evangelische Omroep. Gezien een eerdere uitzending van de EO zijn klagers er van overtuigd dat de EO house-parties als een verwerpelijke en door de duivel geïnspireerde beweging beschouwt. De producente had moeten en kunnen begrijpen dat bij het bekend maken van de EO als potentiële afnemer van de produktie klagers hun medewerking níet zouden hebben verleend. Klagers menen dat de producente de EO daarom bewust niet als opdrachtgever/afnemer heeft genoemd.
  • Met betrekking tot klager sub 2 geldt als derde bezwaar dat de producente in strijd met de daarover gemaakte afspraak na het gereed komen van de documentaire geen contact heeft opgenomen.

Betrokkene heeft erkend dat er reeds contact bestond met de zelfstandige producente in het research-stadium en dat op verzoek van de EO zelf aan klagers niet is meegedeeld dat de EO de produktie vermoedelijk zou kopen en uitzenden. De EO is van oordeel dat hiervoor een gerechtvaardigd belang bestond. De EO wilde aandacht besteden aan het maatschappelijk belangrijke verschijnsel van de house-parties. De medewerking van o.a. klagers was hiervoor onontbeerlijk en de enige manier om die medewerking te verkrijgen was open te laten voor wie de produktie bestemd zou zijn. Er werd ook na het gereed komen van de produktie met medeweten van de EO geen contact opgenomen met Quazar om interventie te voorkomen. De EO neemt de wijze waarop de uitzending tot stand is gekomen voor haar rekening.

Wat betreft de inhoud van de documentaire is de EO van oordeel dat er geen sprake is van een tendentieuze uitzending omdat ook veel voorstanders van house-parties aan het woord komen. De EO heeft uit haar kringen van leden zelfs veel bezorgde reacties gekregen over een positieve belichting van house-parties.


BEOORDELING VAN DE KLACHT

Naast de beelden en uitspraken van bezoekers aan house-parties bevat de documentaire de onbecommentarieerde beelden en uitspraken van bij de organisatie en totstandkoming van house-parties betrokkenen zoals klager De Loor als initiatiefnemer van de SAFE HOUSE-campagne, klager Van Veen namens muziekgroep Quazar en de discjockey Eddy de Clercq. Voorzover de selectie van deelnemers en ex-deelnemers aan house-parties niet representatief is geschied, wordt aan het negatieve effect daarvan voldoende tegenwicht geboden door de uitspraken van bovengenoemden, waaronder de relativerende opmerkingen van discjockey De Clercq. Het stond de EO vrij de documentaire te maken vanuit haar negatieve visie op het verschijnsel van house-parties nu voldoende aandacht is besteed aan andere meningen. De bezwaren van klagers dat de uitzending tendentieus is acht de Raad op grond van het bovenstaande niet gegrond.

Wat betreft het verkrijgen van de medewerking van klagers aan de documentaire, door de producente bewust de naam van de EO als geïnteresseerde omroep en vermoedelijke koper van het programma niet te laten noemen, kan nog niet gezegd worden dat de medewerking van klagers onder valse voorwendsels is verkregen. Klagers hadden al uitgesproken bezwaren tegen de EO toen zij voor de documentaire benaderd werden. Zij hebben van hun kant echter desondanks geen voorwaarden gesteld aan hun medewerking. Om die reden acht de Raad ook dit onderdeel van de klacht ongegrond.

Wél gegrond acht de Raad het bezwaar van de Stichting Quazar dat na het gereed komen van de documentaire door de producente geen contact is opgenomen. Hierdoor is aan Quazar de mogelijkheid ontnomen voor het moment van uitzending actie te nemen. Gezien de verklaring van de EO dat de omroep de volledige verantwoordelijkheid voor het handelen van de producente op zich neemt acht de Raad op dit onderdeel de klacht wel gegrond.

 

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond voor zover deze betreft het niet nakomen van de gemaakte afspraak omtrent contact over de documentaire na het gereed komen daarvan. Voor het overige acht de Raad de klacht ongegrond.
 

De Raad verzoekt betrokkenen aan deze beslissing integraal of in samenvatting aandacht te besteden in een van haar uitzendingen.


Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 14 februari 1994 door mr P.J. Boukema, voorzitter, mr T. Faber-de Heer, M.J. Kes, mr F. Kuitenbrouwer en K. Wiese, leden, in tegenwoordigheid van mr A.C.M. Karsten, secretaris.