1994/13 ongegrond

M.W. van der Hidde tegen L. Westhof

Per brief van 28 januari 1994 met dertien bijlagen heeft M.W. van der Hidde te Harlingen (klager) een klacht ingediend tegen L. Westhof (betrokkene). Deze heeft op de klacht geantwoord in een brief van 11 maart 1994 met vier bijlagen.

De Raad heeft op 23 september 1994 met toestemming van partijen over de zaak beslist op grond van de stukken, derhalve zonder mondelinge behandeling.

De feiten

Klager is de initiatiefnemer tot het oprichten van een belangenvereniging van gedupeerde Vie d'Or-polishouders. Op 16 december 1993 vond een door hem belegde bijeenkomst plaats van (aspirant-)leden teneinde de oprichting van de vereniging, het kiezen van het bestuur e.d., voor te bereiden.

Na deze bijeenkomst besloot het op 16 december voorlopig aangestelde bestuur tot aansluiting bij een belangenvereniging van gedupeerde polishouders uit Best. Daar klager dit in strijd achtte met hetgeen ongeveer 85% van de ongeveer 600 polishouders, die zich bij hem aanmeldden, blijkens een opinie-peiling wensten, distantieerde hij zich van dat besluit. Hij zette zijn initiatief voort via een door hem opgerichte stichting.

In de Leeuwarder Courant van 8 januari 1994 is onder de kop "Welles-nietes rond Vie d'Or" een artikel gepubliceerd van betrokkene. Dit artikel bevat de volgende passages.

"De Harlinger bedrijfskundig adviseur had aanvankelijk altruïstische verhalen, maar is inmiddels door zijn medebestuursleden ontmaskerd als zakkenvuller. Jan Elshout, een van die mede-bestuursleden: 'Wij wilden niet dat het bestuur betaald zou worden voor zijn activiteiten, juist om belangenverstrengeling te voorkomen. Maar Van der Hidde wilde wel een betaald bestuur'.

"Nu doet hij alsof er tijdens de bijeenkomst van polishouders in Breukelen op 16 december geen voorlopig bestuur is geformeerd en hij negeert de afspraak dat we in overleg zouden treden met de andere belangenvereniging. In plaats daarvan is hij er met het adressenbestand vandoor gegaan, speelde hij de ruim zeshonderd polishouders onjuiste informatie toe, roept hij hen op voor tenminste f 55,-- per kwartaal contribuant te worden van zijn Stichting Deel Tijd en Profijt, die hij notabene al sinds mei van dit jaar op de plank heeft liggen en waarvan hij zelf directeur is en zijn echtgenote voorzitter."

Nadat klager bezwaar had gemaakt werd door betrokkene in de Leeuwarder Courant van 11 januari 1994 opnieuw aandacht besteed aan deze kwestie in een artikel onder de kop "Onduidelijkheid Vie d'Or blijft". Dit artikel bevat de volgende passage.

"Ondertussen voelt polishouder Martin van der Hidde uit Harlingen, de initiatiefnemer van een van de drie belangenclubs, zich in eer en goede naam aangetast door een artikel in deze krant van afgelopen zaterdag.

Daarin wordt hij -als gevolg van de uitlatingen van Jan Elshout, een van zijn zeer tijdelijke me de-bestuursleden- afgeschilderd als 'zakkenvuller'.
'Geheel ten onrechte' aldus Van der Hidde, die er op wijst dat hij en zijn echtgenote ruim driehonderd uren pro deo hebben gestoken in de Vie d'Or Polishouders Belangenvereniging in oprichting.

Tot de oprichting van die vereniging is het nooit gekomen. Weliswaar werd er op 16 december een voorlopig bestuur geformeerd en werd er door dat bestuur vergaderd op 21 december. Maar Van der Hidde besloot op 22 december zijn eigen plan in te trekken, de vereniging i.o. te laten voor wat ze is en zijn werk voort te zetten in een stichting. 'Omdat er door de andere bestuursleden in de periode 16 tot en met 21 december niets werd gedaan'. Volgens Van der Hidde kan hij nu handelen naar de wil van het gros van de 350 polishouders, die zich de afgelopen weken in Harlingen meldden. Want zo'n 85 procent van de aanwezigen op de oriënterings- of oprichtingsbijeenkomst van 16 december koos volgens Van der Hidde voor onafhankelijk doorgaan, los van de belangenclub in Best."

Deze tekst werd vóór publikatie aan klager toegezonden.

De standpunten van partijen

De bezwaren van klager richten zich in de eerste plaats tegen het artikel van 8 januari 1994 omdat deze publikatie tot stand kwam zonder dat hij werd gehoord, omdat deze feitelijke onjuistheden bevat en omdat deze onterechte beschuldigingen bevat, met name de beschuldiging van "zakkenvuller".

Ook tegen het artikel van 11 januari 1994 heeft klager bezwaren omdat het woord "zakkenvuller" daarin wordt herhaald en omdat excuses van de zijde van betrokkene daarin ontbreken.
Klager voelt zich aangetast in zijn eer en goede naam en acht de publikaties schadelijk voor zijn werk als vrij ondernemer.

Betrokkene heeft geantwoord dat in de Leeuwarder Courant sinds 18 november 1993 al zeer vele malen (16 keer) bericht was over de moeilijkheden rond de verzekeringsmaatschappij Vie d'Or. Hij beschikte over de nieuwsbrieven, die klager in november en december onder de polishouders verspreidde, alsmede over het persbericht van klager van 3 januari 1994 en zijn brief aan de redactie van 5 januari 1994. Betrokkene meende daarom voldoende geïnformeerd te zijn, zodat hij vóór de publikatie van 8 januari 1994 geen contact zocht met klager.

Naar aanleiding van de bezwaren van klager tegen deze publikatie is dat contact er nadien wèl geweest. Aangezien betrokkene het gebruik van de term zakkenvuller achteraf bezien onjuist achtte, werd dat rechtgezet in het artikel van 11 januari, waarin de visie van klager werd neergelegd.

Het concept van die tekst werd voor publikatie aan klager toegezonden, evenals de definitieve versie. Die versie week af van het tekstvoorstel van klager. Bij de toezending van de definitieve versie werd echter aan klager meegedeeld dat hij desgewenst gebruik zou kunnen maken van de ingezonden brieven-rubriek.

Beoordeling van de klacht

De Raad is van oordeel dat het gebruik van het woord zakkenvuller in de publikatie van 8 januari onjuist is wegens het ontbreken van feitelijke grondslag, alsmede dat betrokkene toen ten onrechte wederhoor achterwege heeft gelaten.

De Raad meent echter dat betrokkene voldoende heeft gedaan om de bezwaren van klager weg te nemen door in de publikatie van 11 januari de visie van klager weer te geven en door de tekst van deze publikatie tevoren aan klager toe te zenden. Uit de reactie van klager op de concept-tekst blijkt niet dat klager deze vervolgpublikatie ontoereikend achtte wegens het ontbreken van excuses.

De herhaling van het woord "zakkenvuller" gebeurt niet als herhaling van de beschuldiging, maar in het kader van de rechtzetting. Dat klager als ondernemer of anderszins schade heeft geleden is naar het oordeel van de Raad niet aannemelijk gemaakt.

De Raad is daarom van oordeel dat de gedraging van betrokkene als geheel geen overschrijding oplevert van de grenzen van hetgeen, gelet op zijn journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

Beslissing

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting te publiceren in de Leeuwarder Courant.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 23 september 1994 door mr W.D.H. Asser, voorzitter, mr G. Dullens, drs K.J. van der Zande, mr F. Kuitenbrouwer en mw A.G. Scherphuis, leden, in tegenwoordigheid van mr A.C.M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1994, 13.