1994/11 ongegrond

M.M.J. Huisman tegen de hoofdredacteur van het Leidsch Dagblad

Bij brieven van 6 oktober 1993 en van 26 november 1993 met 15 bijlagen heeft mevrouw M.M.J. Huisman te Wenen, Oostenrijk, (klaagster) een klacht ingediend tegen de heer H.G. van der Post (betrokkene), hoofdredacteur van het Leidsch Dagblad.
Hierop is door de heer Van der Post bij brief van 8 februari 1994 met 1 bijlage gereageerd. Klaagster heeft vervolgens gerepliceerd in een brief van 12 maart 1994 met 5 bijlagen.
Betrokkene heeft daarop in een brief van 28 maart 1994 laten weten, in voornoemde repliek geen aanleiding te zien zijn standpunt te wijzigen of er iets aan toe te voegen.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 29 april 1994. Partijen zijn op die zitting niet verschenen.
De feiten

In de zaterdagbijlage van het Leidsch Dagblad van 20 maart 1993 is een artikel gepubliceerd over de ontruiming van het Joods Weeshuis in Leiden. Daarbij is een foto geplaatst, met als onderschrift "Functionarissen van het Leidsch politiekorps bij de begrafenis van collega J. Huisman. Hij werd op 1 december 1944 bij een ondoordachte actie van het verzet doodgeschoten. De man met snor is commissaris Diekman, de opvolger van U. Hoffmann."
In het artikel, dat met name de rol van commissaris U. Hoffmann bij de ontruiming van het Joods Weeshuis belicht, valt onder meer te lezen:
"Er zijn heel wat verhalen over deze ontruiming in omloop, maar telkens weer komt het gegeven terug dat alle politie-agenten, behalve agent Rozemeijer en inspecteur Van der Wal, aan deze ontruiming hebben meegewerkt."

De standpunten van partijen

Klaagster is de dochter van de in het foto-onderschrift genoemde J. Huisman. Zij is er zeker van, dat de geplaatste foto, anders dan het onderschrift vermeldt, niet gemaakt is ten tijde van de begrafenis van haar vader. Zij wijst er onder andere op, dat op de foto bladeren aan de bomen te zien zijn, terwijl dat gezien de datum van de begrafenis niet mogelijk is. De foto's die zij zelf bezit van de begrafenis en die zij als bijlage bij de klacht heeft overgelegd, tonen kale bomen.
Bovendien meent klaagster dat haar vader, door het noemen van zijn naam in dit kader, in diskrediet wordt gebracht. Haar vader wordt niet genoemd als één van de agenten die geweigerd heeft mee te werken aan de ontruiming van het Joods Weeshuis. Zij stelt dat haar vader onmogelijk daaraan meegedaan kan hebben, hij stond als zeer anti-Duits bekend.
Klaagster heeft zich met haar klachten allereerst tot de hoofdredactie van het Leidsch Dagblad gewend en om een rectificatie gevraagd. Betrokkene is daar in zijn reacties niet op ingegaan.

Betrokkene merkt over de herkomst van de foto op, dat deze gekozen is uit een reeks, die is gemaakt door de Leidse fotograaf N. van der Horst. De fotograaf zegt de foto te hebben gemaakt tijdens de begrafenis van de heer Huisman. Dit verhaal zou bevestigd worden door oud-hoofdinspecteur Verzijden van de Leidse politie, die bij de begrafenis aanwezig was. De foto is geplaatst, omdat daarop de top van de Leidse politie te zien is, niet omdat het de begrafenis van de heer Huisman betreft. Bovendien wordt volgens betrokkene in het onderschrift niet gesuggereerd, dat de heer Huisman zich tijdens de oorlog zou hebben misdragen.
In officiële stukken is volgens betrokkene niets terug te vinden over de ontruiming van het Joods Weeshuis, zodat niet te achterhalen valt welke rol de diverse agenten precies bij de ontruiming gespeeld hebben. Slechts van een enkeling, in het artikel met name genoemd, zou onomstotelijk vaststaan, dat hij geweigerd heeft aan de ontruiming deel te nemen. Daarentegen hebben diverse getuigen verklaard, dat het gehele Leidse politiekorps verantwoordelijk moet worden geacht voor de ontruiming.
Betrokkene is van mening dat klaagster wel recht had op een, door haar ook gevraagde, schriftelijke reactie. Het achterwege blijven daarvan noemt hij onfatsoenlijk.

Beoordeling van de klacht

De klacht valt uiteen in twee onderdelen:

1.

Bij het over de ontruiming van het Joods Weeshuis geschreven artikel is een foto geplaatst met als onderschrift dat het de begrafenis van de heer J. Huisman betreft, terwijl naar het oordeel van klaagster vaststaat dat het niet de begrafenis van haar vader kan zijn.

2.

De vader van klaagster wordt door de inhoud van het artikel in diskrediet gebracht, met name door hem niet te noemen als iemand uit het korps die geweigerd heeft aan de ontruiming deel te nemen.
Over de foto met onderschrift is de Raad van oordeel, dat niet met zekerheid valt vast te stellen of de foto al dan niet genomen is bij de begrafenis van klaagsters vader. Nu de maker van de foto dit echter aan betrokkene heeft medegedeeld, valt betrokkene daarover niets te verwijten.

De heer Huisman maakte deel uit van het korps, waarover in het betreffende artikel wordt geoordeeld. De naam van de heer Huisman komt in het stuk verder niet voor. Wel wordt er melding van gemaakt dat volgens 'heel wat verhalen' alle politie-agenten, op twee na, hebben meegewerkt aan de ontruiming. Elders in het artikel wordt echter de vraag of alle Leidse politie-agenten nu zo gewetenloos waren, door een verzetstrijder negatief beantwoord, waardoor er bij de lezer een genuanceerder beeld ontstaat van het Leidse korps. Naar het oordeel van de Raad kan dan ook niet gezegd worden, dat de heer Huisman door de inhoud of de strekking van het artikel in diskrediet wordt gebracht.

Voor het overige wil de Raad aantekenen dat over de wijze waarop door betrokkene is gereageerd op brieven van klaagster door klaagster terecht aanmerkingen worden gemaakt. Op haar eerste brief is, zoals ook door betrokkene wordt erkend, in het geheel niet gereageerd; op de tweede op, vanwege de gevoeligheid van de materie, ongepaste wijze.

Beslissing

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in het Leidsch Dagblad te publiceren.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 29 april 1994 door mr P.J. Boukema, voorzitter, mr T. Faber-de Heer, W.F. de Pagter, K. Wiese en W.H.K. Ammerlaan, leden, in tegenwoordigheid van mr I.H.J. Konings, secretaris.

RvdJ 1994, 11.