1994/10 ongegrond

A.Th. Duivesteijn tegen H. Kool

Bij brief van 29 december 1993 met 1 bijlage heeft de heer A.Th. Duivesteijn te Den Haag (klager) een klacht ingediend tegen H. Kool, journalist (betrokkene). Hierop is door de heer Kool gereageerd bij brief met 1 bijlage van 12 maart 1993. Tevens is een reactie ontvangen, gedateerd 11 januari 1994, van de adjunct-hoofdredacteur van het NRC Handelsblad, de heer H. Smeets.
De zaak is behandeld ter zitting van 29 april 1994. Beide partijen waren in persoon aanwezig.

De feiten

In het NRC Handelsblad is op 16 november 1993 op de opiniepagina een artikel gepubliceerd van de hand van betrokkene met de titel "Rentree van een vernielend politicus". Het artikel gaat in op de plaatsing van klager, voormalig wethouder van Den Haag, op de PvdA-kandidatenlijst voor de Tweede Kamer. In dit kader stelt betrokkene, dat klager de gemeente Den Haag na zijn vertrek achterliet met een financieel tekort van bijna een kwart miljard gulden en noemt hij klager "eerder een vernielende dan een vernieuwende politicus", waarvan "niet kan worden volgehouden dat hij op verantwoorde wijze met gemeenschapsgeld is omgesprongen".

De standpunten van partijen

De grief van klager richt zich tegen de uitspraak 'Duivesteijn liet Den Haag na zijn vertrek achter met een financieel tekort van bijna een kwart miljard gulden', welke hij als feitelijk onjuist bestempelt. Volgens klager wordt zijn persoon hierdoor in diskrediet gebracht. Ter ondersteuning van zijn betoog is door klager ter zitting een brief d.d. 29 april 1994 overgelegd, afkomstig van de directeur van de sector Woningmarkt en Projectmanagement van de gemeente Den Haag, de heer J.H.G. van Dijk.

Betrokkene stelt in zijn verweer, dat hij heeft willen aangeven dat klager niet alleen primair verantwoordelijk was voor het stadsvernieuwingsproces, doch in hoge mate ook voor het in verband daarmee gevoerde financiƫle beheer. Volgens betrokkene heeft de gemeente Den Haag vele extra miljoenen moeten bijdragen in de realisering van de stadsvernieuwingsplannen van klager. Mede als gevolg van het stadsvernieuwingsproces zou de stad in 1989 opgezadeld zijn met een tekort van een kwart miljard op de gemeentebegroting. Ten bewijze hiervan heeft hij een lijst van een aantal raadsbesluiten met daarbij het negatieve saldo grondexploitatie opgesteld. Voorts stelt hij dat hij niet alleen staat in zijn kritiek, maar dat het door hem geschetste beeld van klager maatschappelijk gezien breed gedragen wordt.

Namens het NRC Handelsblad heeft adjunct-hoofdredacteur H. Smeets in zijn brief van 11 januari 1994 laten weten, dat de heer Kool als journalist al geruime tijd buiten de verantwoordelijkheid van het NRC Handelsblad werkt. Het artikel is bovendien op de opiniepagina geplaatst, hetgeen de verantwoordelijkheid van het NRC Handelsblad in een ander daglicht zou plaatsen. Tenslotte wordt gesteld dat de klacht met zo weinig argumenten is geadstrueerd, dat het onmogelijk is in concreto daar op in te gaan. Indien klager bereid zou zijn geweest zich via de opiniepagina tegen betrokkene teweer te stellen, zou hij daarvoor de ruimte hebben gekregen.

Beoordeling van de klacht

Op grond van de stukken en het ter zitting besprokene gaat de Raad van het volgende uit:
De gemeente Den Haag beschikt sinds 1985 over een Stadsvernieuwingsfonds dat gevoed wordt door Rijk en Gemeente met in totaal gemiddeld 120 miljoen gulden per jaar. Gedurende de periode dat klager wethouder was bleek er voor de stadsvernieuwingsplannen meer geld nodig te zijn dan door het Fonds werd gedekt. Voor deze aanvullende financiering heeft de gemeente extra middelen ter beschikking gesteld, waarvoor afzonderlijke raadsbesluiten genomen zijn.

Betrokkene heeft toegelicht dat de strekking van zijn mededeling was, dat het begrotingstekort waarmee de gemeente Den Haag zich in 1989 zag geconfronteerd, mede veroorzaakt was door de besluiten van de Gemeenteraad om extra gelden toe te laten stromen aan het Stadsvernieuwingsfonds. Het tekort zou anders niet van die omvang zijn geweest.

Klager heeft niet ontkend, dat het tekort in 1989 bestond en dat aan stadsvernieuwing gedurende de periode dat hij wethouder was meer is uitgegeven dan het vastgestelde bedrag van 120 miljoen per jaar waarmee het stadsvernieuwingsfonds structureel werd gevoed. Hij is evenwel van oordeel dat, gezien de voortdurende fiattering van extra middelen door de gemeenteraad op voorstel van het gehele college van Burgemeester en Wethouders, de overschrijdingen hem niet zijn toe te rekenen. Hoewel dit standpunt formeel te verdedigen zou zijn gaat de Raad ervan uit dat, nu de voorstellen afkomstig waren van de wethouder verantwoordelijk voor de stadsvernieuwing, aangenomen mag worden dat vele overschrijdingen tenminste op zijn conto kunnen worden geschreven. De feitelijke onjuistheid van de gewraakte passage is in elk geval niet komen vast te staan.

Voorzover klager bezwaar heeft tegen het negatieve oordeel van betrokkene over het door klager gevoerde financiƫle beheer meent de Raad, dat het betrokkene vrij stond dit oordeel te geven nu de feitelijke grondslag daarvoor niet onjuist is bevonden.

Beslissing

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene te bevorderen dat deze beslissing integraal of in samenvatting in het NRC Handelsblad wordt gepubliceerd.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 29 april 1994 door mr P.J. Boukema, voorzitter, mr T. Faber-de Heer, W.F. de Pagter, K. Wiese en W.H.K. Ammerlaan, leden, in tegenwoordigheid van mr I.H.J. Konings, secretaris.

RvdJ 1994, 10.