1994/1 ongegrond

J. Post tegen de hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant

In een brief van 25 maart 1993 met tien bijlagen heeft J. Post te Houtigehage (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant, H. Speerstra (betrokkene). Deze heeft op de klacht gereageerd in een brief van 21 juni 1993. Daarop is een schriftelijke repliek gevolgd van klager van 10 juli 1993. Op deze brief is door betrokkene gereageerd in brieven van 12 januari en 18 januari 1994, de laatste met een bijlage.

De feiten

Klager is de uitgever van het tijdschrift Neitiid, dat verschenen is van 1986 tot eind 1992. In de eind mei 1990 verschenen aflevering van dit kwartaalblad is een artikel verschenen van Wouter van der Horst waarin deze stelde, dat de bekende amateur-archeoloog Hein van der Vliet (1890-1956), die de geschiedenis was ingegaan als "de vinder van de bekende vuistbijl van Wijnjeterp", die bijl niet zelf in 1993 had gevonden, maar dat hij die in 1947 van een paar jongens uit Wijnjeterp had gekocht.

Aan deze publikatie is in de Leeuwarder Courant van 31 mei en 1 juni 1990 door respectievelijk de journalist Kerst Huisman en de zoon van Hein van der Vliet aandacht besteed. Op 28 november 1990 werd een bericht opgenomen waarin klager betoogde dat Hein van der Vliet de vuistbijl niet kón hebben gevonden op de door hem aangegeven plaats op grond van door klager vermelde gegevens over de bodemgesteldheid. Eind 1990 werd in de Leeuwarder Courant een inmiddels ontstane discussie in de ingezonden brievenrubriek over de kwestie gesloten.

Vervolgens verscheen in de Leeuwarder Courant van 10 januari 1991 een nieuw artikel van de journalist Kerst Huisman waarin hij de visie publiceerde van de amateur-historicus Ernst Huisman met betrekking tot de door klager gebruikte bodemgesteldheidargumenten. Later werd in de krant aandacht besteed aan de verschijning van het blad "De strijdbijl van Wijnjeterp" van Hendrik van der Vliet, zoon van Hein van der Vliet.

In de Leeuwarder Courant van 27 november 1992 is in een column van Pieter de Groot aandacht besteed aan de opheffing van het tijdschrift van klager in de volgende (uit het Fries vertaalde) passage.

"Een week van vragen. Wat beweegt Jan Post de Neitiid op te heffen? Hij was toch eigen baas? Het stond hem vrij de Friese geschiedenis naar zijn hand te zetten, en hoefde niemand rekenschap af te leggen. Hij kon ook niet botsen met de ethiek van het vak, want hij had een gezaghebbende titel noch functie, anders dan zijn vriend Wouter van der Horst die de vuistbijl van Ureterp in zijn eigen vlees heeft gekregen".

De standpunten van partijen

Klager is van oordeel dat hijzelf en de in zijn tijdschrift Neitiid publicerende auteur Wouter van der Horst door de Leeuwarder Courant kapot zijn geschreven onder andere omdat bij de heropening van de discussie over de vondst van de vuistbijl door Hein van der Vliet door de publikatie van het artikel van Kerst Huisman van 10 januari 1991 geen commentaar is gevraagd aan klager en ook overigens geen of onvoldoende aandacht is besteed aan de door klager gebezigde argumenten. Dat laatste geldt ook voor de bespreking in de krant van het boek "De strijdbijl van Wijnjeterp". Ter zitting heeft klager benadrukt dat hij zich in het bijzonder gegriefd voelt door de column van Pieter de Groot. Het feit dat hij het tijdschrift Neitiid heeft opgeheven is naar zijn mening namelijk het gevolg van de publikaties in de Leeuwarder Courant. Volgens klager zijn die publikaties de oorzaak van het teruglopen van het aantal lezers. Het tijdschrift verscheen in een oplage van ongeveer 200 stuks. In het tijdschrift werd niet alleen geschreven over de kwestie van de vuistbijl maar ook over andere onderwerpen.

Betrokkene is van oordeel dat klager niet heeft waargemaakt dat hij door de krant kapot zou zijn geschreven.

Beoordeling van de klacht

Ook na kennisneming van de door klager ter zitting van de Raad nog eens onder de aandacht van de Raad gebrachte door klager uitgegeven brochure "De bijl" waarin klager zijn visie op de controverse over de vondst en de daaraan gewijde publikaties geeft is de Raad door klager niet overtuigd van het bestaan van een oorzakelijk verband tussen de terugloop van het aantal lezers van het tijdschrift Neitiid en de artikelen in de Leeuwarder Courant. De Raad is van oordeel dat de Leeuwarder Courant op evenwichtige wijze aandacht heeft besteed aan de visie van de verschillende partijen zonder dat klager daarbij nodeloos negatief is belicht.

Beslissing

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in de Leeuwarder Courant te publiceren.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 4 februari 1994 door mr W.D.H. Asser, voorzitter, mr L. van Vollenhoven, mr B.A. Schmitz, mr A.J. Heerma van Voss en mr D.T. Dalmolen, leden, in tegenwoordigheid van mr A.C.M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1994, 1.