1993/9 ongegrond

De Gemeente Spijkenisse tegen de hoofdredacteur van het Rotterdams Dagblad

Per brief van 25 januari 1993 met vijf bijlagen heeft het college van B&W van Spijkenisse (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het Rotterdams Dagblad J. Prins (betrokkene). Deze heeft op de klacht gereageerd in een brief van 3 maart 1993 met twee bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 30 juni 1993. Klager werd op die zitting vertegenwoordigd door de heren J. Beenakkers en J.H.B. Hofs. Betrokkene was in persoon aanwezig.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.

In het Rotterdams Dagblad, editie Voorne-Putten, van 6 januari 1993 is onder de kop "Manager weigert andere functie" en daaronder in kleinere letters "Conflict met gemeente Spijkenisse na 15 maanden nog onopgelost" een bericht verschenen over een arbeidsconflict tussen de gemeente Spijkenisse en een van de ambtenaren van de gemeente.
De publikatie eindigt met de mededeling dat deze die ochtend niet voor commentaar bereikbaar was

De in het bericht verstrekte informatie is ontleend aan een processtuk uit de tussen de gemeente en de ambtenaar voor de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam lopende procedure. Dit stuk is op 5 januari 1993 per fax binnengekomen op de redactie van het Rotterdams Dagblad.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager is van oordeel dat het blad geen gebruik had mogen maken van het per fax binnengekomen processtuk omdat dit stuk niet voor de krant bestemd was en de krant dat had kunnen weten. Elke faxopdracht van de gemeente begint met een zogenaamd faxbericht waarin de naam van de geadresseerde, diens faxnummer, de naam van de afzender, het onderwerp, de datum en het aantal te verzenden pagina's vermeld staan. Ook de onderhavige faxopdracht werd ingeluid met een dergelijk bericht. Daaruit bleek dat de fax niet bestemd was voor de redactie van het Rotterdams Dagblad maar voor de juridisch adviseur van de gemeente in deze zaak.

Naar het oordeel van klager kwam aan de fax dezelfde bescherming toe als aan de inhoud van een verkeerd bezorgde brief. Het briefgeheim verbiedt in zo'n geval van de inhoud van de brief kennis te nemen. Aan dat principe had de krant zich in dit geval volgens de gemeente ook moeten houden.

Betrokkene heeft geantwoord dat het processtuk zonder voorblad is binnengekomen. De redactie wist dus niet dat het stuk niet voor publikatie bestemd was. Het gebeurt vaker dat door de gemeente verzonden stukken zonder commentaar in kopie naar de redactie gestuurd worden.

De publikatie naar aanleiding van het processtuk paste in eerdere berichten over spanningen die door reorganisatie onder ambtenaren van de gemeente Spijkenisse zijn ontstaan. Uit oogpunt van publieksvoorlichting was het stuk van belang.

Zou de redactie wél begrepen hebben dat het ingekomen stuk niet voor de krant bestemd was dan zou het toch gepubliceerd zijn met dit verschil dat de krant dan vermoedelijk eerst contact opgenomen zou hebben met de gemeente.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Het gaat in deze zaak om de vraag of de krant gebruik mocht maken van de inhoud van een stuk dat niet ten behoeve van de krant was opgesteld en dat per fax op de redactie was binnengekomen door een, naar de Raad als vaststaand aanneemt, bij de verzending gemaakte fout.

Zelfs indien moet worden aangenomen dat de krant wist of kon weten dat het stuk per abuis aan haar was verzonden en niet met het oog op publikatie, stond het de krant in beginsel vrij van het stuk gebruik te maken voor een bericht of artikel. Een krant ontvangt nu eenmaal gegevens uit allerlei bronnen, ook uit bronnen die openbaren wat volgens degenen, op wie de informatie betrekking heeft, niet voor publikatie vatbaar was.

Aan de Raad is niet gebleken van omstandigheden, die noopten tot inperking van de vorengenoemde vrijheid. Daarvan zou sprake zijn geweest indien de inhoud van het stuk een zo vertrouwelijk karakter
had dat het belang bij publikatie in geen redelijke verhouding zou staan tot de met die publikatie gepaard gaande schending van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer of andere belangen van degene op wie het stuk betrekking had. Het ging hier om een stuk dat bestemd was om te worden overgelegd in een civiele procedure tussen klaagster als overheid en één van haar ambtenaren, welke procedure niet in het bijzonder een vertrouwelijk karakter droeg.

De Raad overweegt daarbij dat de naam van de betrokken ambtenaar in de publikatie niet is genoemd en dat deze wel is benaderd voor commentaar.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de klacht ongegrond is.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in het Rotterdams Dagblad te publiceren.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 30 juni 1993 door mr W.D.H. Asser, voorzitter, mr T. Faber De Heer, mr F. Kuitenbrouwer, mr A.J. Heerma van Voss en M.I. Kes, leden, in tegenwoordigheid van mr A.C.M. Karsten als secretaris.

RvdJ 1993, 9.