1993/6 ongegrond

A.E. van As-Laros en A.J. van As tegen Joop Hoek

In een brief uan 8 oktober I992 met vijf bijlagen heeft mr P.A.M. Dingemans te Breda namens A.E. van As-Laros en A.J. van As te Roosendaal (klagers) een klacht ingediend tegen de journalist Joop Hoek (betrokkene). Namens deze heeft de hoofdredacteur uan het Brabants Nieuwsblad in een brief van I5 december I992 met uijf bijlagen op de klacht gereageerd. Klagers hebben nog schriftelijk gerepliceerd in een brief van I8 januari I993 met tien bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 25 juni I993. Klagers waren in persoon aanwezig te zamen met mr P.A.M. Dingemans. Betrokkene is eveneens in persoon verschenen samen met zijn chefredacteur A. Rooms.

DE FEITEN

Klager A.J. van As voert een praktijk als psychometrist en klaagster A.E. van As-Laros heeft een praktijk voor paranormale genezing. In het Brabants Nieuwsblad van zaterdag I9 september I992 is onder de kop "Reeks valse aantijgingen van incest" op de voorpagina een bericht verschenen waarin wordt vermeld dat klagers tientallen West-Brabanders ten onrechte beschuldigd hebben van incest. Op pagina 29 van dezelfde editie van het Brabants Nieuwsblad is onder de kop "Miskleunen van helderzienden" een achtergrondartikel van betrokkene gepubliceerd. Op dezelfde pagina worden in verschillende kaders een aantal personen aan het woord gelaten over het optreden van klagers. Klagers zelf worden in het artikel en de kaders herhaaldelijk geciteerd.
Na I9 september zijn in het Brabants Nieuwsblad verschillende vervolgpublikaties over hetzelfde onderwerp verschenen.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

De bezwaren van klagers richten zich tegen het volgende:
1. de wijze waarop het gevoerde vraaggesprek tot stand is gekomen; 2. de beschuldiging van strafbare feiten in de kop in het voorpagina-artikel; 3. de weergave van het vraaggesprek met herhaling van de beschuldiging en het afdrukken van de tijdens het gesprek gemaakte foto.
AD 1. Volgens klager Van As werd hij door betrokkene opgebeld met het verzoek mee te werken aan een vraaggesprek over zijn praktijk als psychometrist. Daarvoor heeft hij zijn toestemming gegeven en in dat kader werd ook de foto gemaakt. Achteraf is gebleken dat betrokkene andere bedoelingen had, namelijk een gesprek over de vermeende beschuldigingen van incest. Het is juist dat klager Van As bij de politie een klacht heeft gedeponeerd tegen zijn vader wegens door deze jegens hem gepleegde incest. Volgens klagers hebben zij overigens met beschuldigingen van incest niets van doen. Zij zouden nimmer medewerking hebben verleend aan het vraaggesprek als betrokkene dit als onderwerp had genoemd. Dat geldt ook voor de medewerking aan het nemen van de foto.

AD 2. Klagers ontkennen dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan het strafbare feit van het doen van valse aangiften van incest. Het beoefenen van de psychometrie beperkt zich tot het terrein van feitelijke zaken zoals een nog niet ontdekte te hoge bloeddruk, de aanstaande geboorte van een veulen, dreigende mankementen aan een wasmachine en dergelijke. Zaken als incest komen in de bijeenkomsten waarop klager Van As als psychometrist optreedt nimmer aan de orde.

AD 3.

Klagers ontkennen met nadruk dat met betrokkene uitvoerig is gesproken over beschuldigingen van incest. Pas achteraf is gebleken dat betrokkene daarover kennelijk tevoren al materiaal had verzameld. Toen hij dat onderwerp aansneed zijn klagers daarop niet ingegaan.

Betrokkene antwoordt dat er in de regio te beluisteren valt dat klagers wel degelijk vele personen beschuldigd hebben van incest, ook tegenover de politie. Het is juist dat bij het maken van de afspraak voor het interview alleen de psychometrie als onderwerp is genoemd. Er is niet afgesproken dat het interview zich tot dat onderwerp zou beperken. Klaagster Van As-Laros heeft zich vrijwillig in het gesprek met klager Van As gemengd en kwam uit eigen beweging op het incest-onderwerp. Betrokkene heeft ter zitting zijn aantekeningen van het gesprek getoond volgens welke uitvoerig over dit onderwerp is gesproken. Betrokkene heeft zijn artikelen gebaseerd op een grote reeks van informanten, zoals ook uit de publikaties blijkt. Klagers hebben aan het vraaggesprek vrijwillig meegewerkt en ook geposeerd voor de foto.

BBOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad bespreekt de drie onderdelen van de klacht afzonderlijk .

AD 1. Het feit dat een vraaggesprek wordt aangevraagd met het oog op een bepaald onderwerp betekent niet dat uitbreiding naar andere onderwerpen niet zou zijn toegestaan. Nu niet gebleken is dat over restrictie van het onderwerp afspraken zijn gemaakt stond het betrokkene vrij over alle besproken onderwerpen te publiceren en mocht hij ook de met toestemming gemaakte foto afdrukken.

AD 2. De term "valse aantijgingen" in een van de koppen hoeft niet meer te betekenen dan het doen van beschuldigingen van incest, eventueel ook tegenover de politie, die niet tot strafvervolging hebben geleid. De kop houdt daarom naar het oordeel van de Raad niet de beschuldiging in van het plegen van het strafbare feit van het doen van valse aangiften.

AD 3.

Volgens de ter zitting getoonde gespreksaantekeningen van betrokkene zijn de incestbeschuldigingen wél uitvoerig aan de orde geweest. Klagers hebben ter zitting en in hun repliek van I5 december I992 niet ontkend dat betrokkene het onderwerp heeft aangesneden. Dat gevoegd bij het overige ter zitting besprokene, brengt de Raad tot de conclusie dat het niet aannemelijk is dat klagers in de artikelen op onjuiste wijze zijn aangehaald.

Op grond van al het bovenstaande is de Raad van oordeel dat betrokkene niet de grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op zijn journalistieke verantwoordelijk, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene te bevorderen dat deze beslissing integraal of in samenvatting wordt gepubliceerd in het Brabants Nieuwsblad.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 25 juni I993 door mr P.l. Boukema, voorzitter, W.F. de Pagter, mr G. Dullens, mevrouw A.G. Scherphuis en K. Wiese, leden, in tegenwoordigheid van mr A.C.M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1993, 6.